Copyright Featured Image and Page Header Image: Uitgeverij SUN/Open universiteit/Wereldvenster/GBG.

 

Inhoudsopgave
Inleiding
1. Terugblik op filmstudies in Nederland (jaren ‘60 t/m jaren ‘90)
2. Een schets van het onderwijs binnen filmstudies in Nederland (in 2005)
3. Signalering van twee internationale trends bij filmstudies (in 2005)
Conclusie

 

Inleiding

Het vak filmstudies bloeit wereldwijd in menige universiteit met vele bloesems, ook in Nederland en Vlaanderen. De weelde van deze ‘blooming business’ roept ook vragen op: hoe verliep de aanloop hiertoe en welke vergezichten zijn te onderscheiden?

Het onderzoek en het academisch onderwijs van filmstudies draaien op volle toeren. Dit succes verdient een moment van reflectie. In 2005 deed ik een terugblik en maakte ik een inventarisatie van de actuele nationale situatie en internationale trends.

 

  1. Terugblik op filmstudies in Nederland: de jaren ‘60 t/m jaren ‘90

De pioniers

Eind jaren vijftig werd voorzichtig de eerste basis gelegd voor filmstudies in Nederland. Eén van de prille mijlpalen was de benoeming in 1959 van de filmcriticus A.J.P. Domburg als lector film aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, een eervolle afronding van een lange loopbaan bij onder andere het dagblad De Tijden het katholieke filmtijdschrift Filmforum. Als wetenschapper of als leermeester heeft hij echter geen school gemaakt.

Het Nederlandstalig hoger onderwijs in filmstudies heeft twee bevlogen grondleggers gehad, in de personen van prof. J.M. Peters en prof. A. Vandenbunder. Beiden begonnen hun pionierswerk in de jaren vijftig en beiden hebben veel invloed gehad op de ontwikkeling van het vak door middel van hun onderzoek en hun leerlingen (NOOT 1).

Prof. Peters was eerst enkele jaren gastdocent (1963-1968) en daarna van 1968 tot 1985 hoogleraar bij de vakgroep Audiovisuele Communicatie van de K.U. Leuven. Daarnaast gaf hij 25 jaar lang (van 1957 tot 1982) de befaamde vrijdagcolleges Filmkunde, eerst als privaatdocent en later als bijzonder hoogleraar bij de vakgroep massacommunicatie van de Universiteit van Amsterdam (zie Tee,1985 en Hogenkamp,1999). In 1984 ontving hij tijdens het Nederlands Film Festival de Cultuurprijs van de Nederlandse film. Het onderzoek van prof. Peters was gericht op het toepassen van de retorica als methode van filmanalyse. Zijn onderwijs ondersteunde hij met een indrukwekkende lijst van didactische publicaties. Hij overleed in 2008. In Leuven werd prof. Peters in 1985 opgevolgd door Willem Hesling. In Amsterdam was hij in 1982 opgevolgd door Jan Hes.

Prof. Vandenbunder gaf vanaf de oprichting in 1962 les aan de Vlaamse filmacademie (het RITCS, in Brussel), hij doceerde aan de universiteit van Antwerpen en hij verzorgde vele jaren bij het Koninklijk Belgisch Filmarchief in Brussel de legendarisch geworden openbare colleges op de woensdagavonden, plus talloze filmanalyse weekenden en zomercursussen in het Dommelhof te Neerpelt. Ik had het voorrecht een aantal jaren zijn lessen in Brussel en Neerpelt te mogen meemaken, meeliftend met een kleine harde kern van Nederlandse fans.

Het onderzoek van prof. Vandenbunder was gericht op het toepassen van de semiotiek van de Amerikaanse filosoof Charles Sanders Peirce als methode van filmanalyse. Hij bleef zijn hele leven schaven aan zijn college aantekeningen, met een intense academische gedrevenheid, zonder tot definitieve publicatie over te gaan. Hij was een bezielde filmliefhebber die in zijn voordrachten zijn publiek kon inspireren door zijn geweldige energie en mateloze toewijding aan de grote filmmeesters.

Professor Vandenbunder gaf in elk college een ode aan de filmkunst. Zijn toehoorders voerde hij mee in zijn felle bewondering van talent en van meesterwerken, geplukt uit alle tijden en alle windstreken. Prof. Vandenbunder overleed in 2002. Zijn lange reeks uitgetypte hand-outs zijn gedigitaliseerd en op een website toegankelijk gemaakt: http://www.andrevandenbunder.be/

De tweedeling

In zowel de Nederlandse als de Vlaamse academische wereld was filmstudies vanaf het begin verdeeld tussen geesteswetenschappen (de verschillende letterenfaculteiten) en sociale wetenschappen (de verschillende instituten voor communicatiewetenschap).

In de jaren tachtig groeide het universitaire onderwijsveld van de Nederlandse filmstudies aanzienlijk, de groei zat vooral aan de kant van de geesteswetenschappen. Bij het Instituut voor Theaterwetenschap in Utrecht en de vakgroep Theaterwetenschap in Amsterdam werd de basis gelegd voor bestudering van film (en van televisie). In Leiden doceerden Nico J. Brederoo en Cobi Bordewijk filmgeschiedenis als bijvak, in Tilburg ontwikkelden Hans van Driel en Marc Westermann het vak Audiovisuele Communicatie, in Rotterdam onderzocht Chris Vos film als historisch bronmateriaal.

De meest actieve brandhaard van filmonderwijs en filmonderzoek in de jaren tachtig was echter de Letterenfaculteit van de KU Nijmegen, waar Eric de Kuyper in 1978 energiek startte met het bijvak Dramatologie, dat hij samen met Emile Poppe vanaf 1984 uitbouwde tot de vrije studierichting ‘Film en Opvoeringskunsten’. Grondleggers Eric de Kuyper en Emile Poppe studeerden allebei in Parijs en behaalden daar hun doctorsgraad. In Nijmegen vormden ze de verbindingsschakel met de Franse filmtheorie (semiotiek en psychoanalyse), met gastdocenten als Jacques Aumont en Roger Odin. In 1987 vertrok Eric de Kuyper naar het Nederlands Filmmuseum in Amsterdam, waar hij adjunct-directeur werd.

Frank Kessler en Heide de Mare kwamen dat jaar de gelederen in Nijmegen versterken. Emile Poppe heeft de vakgroep voortgezet tot 2004, in dat jaar veranderde de Nijmeegse universiteit van naam (het werd de Radboud Universiteit) en werd het Nijmeegs Filmarchief overgedragen aan de Universiteitsbibliotheek van Groningen.

De geschiedenis van de Nijmeegse opleiding Film en Opvoeringskunsten verdient een aparte publicatie, met een afgewogen evaluatie van het geïnspireerd onderwijs en de vele manifestaties buiten de muren van de universiteit: onder andere de eigen filmproducties, de klassiekerreeksen in de filmhuizen van Nijmegen en Arnhem, en actieve deelname aan landelijke filmfestivals. Ook is te wijzen op de invloed van oud-studenten op de Nederlandse filmstudies, bijvoorbeeld in de personen van Annie van den Oever (Rijksuniversiteit Groningen), Jack Post (Universiteit Maastricht), Heide de Mare (VU), Jan Simons (UvA) of Joost Raessens (Universiteit Utrecht); en buiten het gebied van filmstudies in de personen van Peter Delpeut, Céline Linssen, José Teunissen, Frank Roemen, Kees Bakker, Dorien van de Pas, Ashraf Ramzy, Mark Meulman, Dick Smits en Kevin Toma.

Daarnaast heeft de vakgroep een tastbaar spoor achtergelaten in de vorm van diverse publicaties, met als meest prominente voorbeeld het tijdschrift Versus, kwartaalschrift voor film en opvoeringskunsten,waarin staf en studenten gedurende tien jaar (1982-1992) een podium voor hun (semiotisch) onderzoek vonden. Het trieste feit dat de subsidie voor Versus werd stopgezet is een teken dat het filmstudies in Nederland toen ontbrak aan status. Een misstand die wel verminderd is, maar nog steeds niet volledig overwonnen. De tien jaargangen van Versus zijn gedigitaliseerd en online beschikbaar gesteld: https://ugp.rug.nl/versus/issue/archive

De introductie van de tweefasen-structuur in de jaren tachtig heeft het onderwijs in filmstudies in Nederland een grote stimulans gegeven. In Utrecht en Amsterdam kreeg Theaterwetenschap de status van een hoofdvak (voorheen was het een ‘kopstudie‘, een specialisatie na het kandidaats). Binnen deze context konden nieuwe filmdocenten aangesteld worden.  In de jaren tachtig was sprake van een interuniversitair overleg, in de vorm van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek van Media (SWOM). Ed Tan (UvA) bewees zich als de pionier op het gebied van het onderzoek naar de emoties van filmtoeschouwers. Heide de Mare (KU Nijmegen, later VU) en Anneke Smelik (Universiteit Utrecht en internationale aanstellingen, later Radboud Universiteit) waren een van de eersten die filmtheorie in het perspectief zette van gender-studies, cyber culture en visual culture. In 1990 startte de Letterenfaculteit van de Rijksuniversiteit van Groningen met het succesvolle bijvak Filmkunde. De bestudering van de praktijkwereld (filmbeleid, beroepsveld) werd in Nederland geïnitieerd door Dorothee Verdaasdonk (Universiteit Utrecht, later Erasmus Universiteit Rotterdam).

Filmhistorici en mediahistorici

Op het vlak van het Nederlandse filmhistorisch onderzoek kunnen Bert Hogenkamp en Karel Dibbets worden aangemerkt als productieve pioniers. Beiden hebben een indrukwekkend aantal publicaties op hun naam staan. Filmhistoricus Ivo Blom kan gelden als eerste van een nieuwe lichting ‘eigen kweek’, in dit geval de opleiding bij Universiteit Leiden (waar ook Michel Hommel cum laude afstudeerde). De internationaal geschoolde Frank Kessler kwam de Nederlandse gelederen in de jaren negentig versterken. In hun kielzog kan een nieuwe generatie filmhistorici worden onderscheiden die spraakmakende dissertaties afleverden. Op het gebied van de Nederlandstalige filmtheorie en op het gebied van de praktijk van de filmwereld is de oogst aan proefschriften minder groot (NOOT 2).

De mediahistorici vormen vanouds een speciale bloedgroep in het grensgebied van filmstudies. De Vereniging Geschiedenis, Beeld en Geluid was vanaf de jaren tachtig het overkoepelend orgaan, met een eigen uitgave, het GBG-Nieuws, en aangesloten bij de IAMHIST (International Association for Audio Visuel Media in Historical Research and Education). De eigen uitgave, het GBG-Nieuws,kende tien jaargangen (van 1986 tot 1997). Daarnaast gaf de stichting Mediageschiedenis acht jaar lang het Jaarboek Mediageschiedenis uit (van 1989 tot 1997). De twee publicatiereeksen werden vanaf 1998 gebundeld in het nog steeds bestaande TMG, tijdschrift voor Media Geschiedenis. Dit tijdschrift vormde in 1993-94 het podium voor reflectie over de eigen onderzoeksdiscipline, in 1995 aangevuld met een rapport van de Commissie ter Bevordering van Mediahistorisch onderzoek (NOOT 3).

De jaren negentig

De Nederlandse filmstudies kwamen in de jaren negentig tot bloei.In Nederland werden toen voor het eerst hoogleraren filmstudies benoemd, Thomas Elsaesser (1991, UvA) en William Urricchio (1993, UU) vormden de voorhoede (NOOT 4). Met de komst van hoogleraren kreeg filmonderzoek in Nederland en Vlaanderen langzaamaan meer status en meer beoefenaars.

Naast film en televisie kwamen ook “de nieuwe media” in beeld (met name in Utrecht, Amsterdam en Tilburg).Hans van Driel startte in 1999 vanuit de Universiteit van Tilburg het on-line tijdschrift E-view, een elektronisch magazine over theater, film, televisie en digitale media, in samenwerking met Chiel Kattenbelt (Utrecht) en Emile Poppe (Nijmegen). Dit initiatief werd in 2009 stopgezet, de jaargangen zijn niet meer online terug te vinden.

Het verwerven van onderzoeksgeld is niet eenvoudig. In Nederland is het onderzoeksgeld voor filmstudies versnipperd over circa zes onderzoekscholen. Het is dus moeilijk te komen tot een stevige onderzoekstraditie met een gestage stroom aan AIO’s en Post-docs (NOOT 5). Op het vlak van filmhistorisch onderzoek is het succesvol afgeronde ‘Utrecht project’ te signaleren, opgezet door Bert Hogenkamp. Vanaf 1994 is gewerkt aan de website CinemaContext.nl, opgezet door Karel Dibbets (overleden in 2017).

Ik wil deze terugblik afronden met de opmerking dat de Vlaamse filmstudies een eigen paragraaf verdient. In Brussel bijvoorbeeld verzorgde prof. Hubert Dethier aan de VUB onderwijs in filmvakken en naast de KU Leuven is UGent en UAntwerpen actief op het gebied van Film Studies.

  1. Een schets van het onderwijs binnen filmstudies in Nederland in 2005

De reflectie over de didactiek van filmstudies gebeurt in Nederland en Vlaanderen helaas nog sporadisch. Tot nog toe was er slechts sprake van enkele incidentele interviews (NOOT 6). Hoe kunnen we een antwoord vinden op de vraag hoe het rond 2005 gesteld was met het Nederlandstalige onderwijs in filmstudies?

Een eerste graadmeter

Een eerste goede graadmeter voor de stand van zaken in het onderwijs in filmstudies is de hoeveelheid didactische publicaties, zowel gedrukt als digitaal. Een docent heeft behoefte aan een degelijk handboek als basis voor zijn of haar colleges. Prof. Peters publiceerde veel handboeken en uitgeverij Sun voerde een actief beleid op het gebied van filmuitgaven (in samenwerking met de vakgroep Film en Opvoeringskunsten).

In 1991 verscheen bij uitgeverij Sun het cursusboek van de Open universiteit, Filmkunde. Een inleiding. Een sterk samengesteld auteursteam gaf een gedegen overzicht van de stand van zaken in de academische praktijk op het gebied van filmstudies van die tijd. Het werkboek was aanvankelijk alleen beschikbaar voor Ou-studenten, in 2009 kon een selectie van de teksten digitaal gepubliceerd worden in E-view(inmiddels ter ziele).

Bij uitgeverij Boom verscheen in 2004 een nieuw didactisch overzichtsboek Beeldcultuur, ook met auteurs uit Vlaanderen en Nederland, onder redactie van Hans van Driel. Tegelijkertijd publiceerde Chris Vos een tweede, herziene druk van zijn boek Het verleden in bewegend beeld (1991/2004).

De leerstoelgroep Film en Televisiewetenschap van de Universiteit van Amsterdam heeft hun collectieve visitekaartje afgegeven met enkele publicaties, met als vlaggenschip de inleidende bundel “Hollywood op straat” (Elsaesser & Hesselberth 2000). De vakgroep Film en TV-studies van de Universiteit Gent publiceerde naast de archievengids Bewegend Geheugen (Biltereyst & Vande Winkel 2004) ook de congresbundel Film/TV/Genre (Biltereyst & Meers 2004). Er is dus aan het begin van de 21eeeuw sprake van een mooie oogst aan Nederlandstalige didactische inleidingen (NOOT 7).

Een tweede graadmeter

Een tweede graadmeter voor de stand van zaken in het onderwijs in filmstudies is het aantal studenten. Zowel in Amsterdam als in Utrecht bijvoorbeeld is het aantal studenten van filmstudies aanzienlijk. Met de invoering van de Bachelor/Master-structuur (vanaf collegejaar 2002/2003) is de onderwijsplanning wel moeilijker geworden. In de bachelor-fase kunnen studenten in veel gevallen naar eigen keuze op basisvakken intekenen. De toestroom van studenten van buiten de eigen vakgroep is mede daarom volstrekt onvoorspelbaar en vaak (te) groot. Prangende vraag daarbij is: stromen deze grote groepen studenten ook door naar de Masterfase in het eigen instituut? Ieder instituut probeert zich momenteel met het Master-onderwijs te profileren. De komst van de BaMa-structuur biedt nieuwe kansen, ook voor nieuwkomers, zoals onder andere de initiatieven in Antwerpen, Groningen, Rotterdam en Maastricht bewijzen (NOOT 8). Sinds 2004 kunnen we beschikken over de digitale Gids voor Mediastudies (NOOT 9). De websurfer ziet een breed assortiment aan onderwijsactiviteit in Nederland op het gebied van filmstudies. De vraag of het nu goed of slecht gaat met het Nederlandstalige onderwijs in filmstudies is moeilijk te beantwoorden omdat het veld volop in ontwikkeling is.

De tweedeling tussen geesteswetenschappen en sociale wetenschappen is gebleven. In Amsterdam, Leuven en Gent wordt bijvoorbeeld per universiteit vanuit twee faculteiten onderwijs in filmstudies aangeboden. In Utrecht, Groningen, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Tilburg, Rotterdam of Antwerpen daarentegen is filmstudies uitsluitend binnen de letterenfaculteit (of algemene cultuurwetenschappen) te volgen.

Een volgende graadmeter is het bestaan van een prijs voor de beste scriptie. Jarenlang was er een dergelijke prijs, vernoemd naar prof. Peters. Een slecht teken was dat hier weinig ruchtbaarheid aan werd gegeven en dat de prijs ophield te bestaan (NOOT 10). Vanaf 2014 heeft stichting Filmonderzoek de draad opgepakt en is er weer sprake van een scriptieprijs, vernoemd naar bioscoopondernemer J. Ph Wolff. Een doctoraalscriptie (master thesis) eindigt echter doorgaans nog steeds roemloos op een kastplank van de begeleider.

Nog een andere graadmeter is de vraag in hoeverre studenten filmstudies na hun afstuderen goed terechtkomen, onder andere in de praktijk van filmvertoning, filmfestivals, filmbeleid, filmeducatie en filmkritiek. Mijn indruk is dat het goed gaat, maar harde cijfers ontbreken. Wel is met stelligheid te constateren dat slechts een enkeling doorstroomt in de filmwetenschap, want een wetenschappelijke carrière is in financieel opzicht een nog steeds weinig aanlokkelijk perspectief.

  1. Signalering van twee internationale trends bij filmstudies

Zoals gezegd gebeurt de reflectie over het vak filmstudies in Nederland en Vlaanderen nog weinig expliciet en nog zelden in het openbaar. Als bescheiden aanzet hiertoe signaleer ik hier twee (internationale) trends: de toenemende institutionalisering van filmstudies en de verwarring over het object en de methode van filmstudies.

De eerste internationale trend: toenemende institutionalisering van filmstudies

Eind jaren negentig was duidelijk sprake van een toenemende institutionalisering van filmstudies. Een eerste indicatie hiervoor zijn de websites die zich als “portal” opwerpen, met talloze links naar universiteiten, on-line magazines en databanken. Tevens is sprake van actieve koepelorganisaties (een Amerikaans voorbeeld is de Society for Cinema and Media Studies) en is sprake van een toenemend aantal didactische handboeken over filmanalyse en filmgeschiedschrijving, die veelvuldig in herdruk verschijnen.

Er verschenen ook enkele inleidende boeken met een metaperspectief op de ontwikkelingen in filmstudies.

  • Dyer (1998) is een bruikbare syllabustekst voor eerstejaars, hij probeert een ordening in het veld te scheppen door de onderscheiding van twee hoofdlijnen binnen filmstudies: de bestudering van de esthetische waarde van films (“the formal-aesthetic value”) en de bestudering van de maatschappelijke positie van film (“the social-ideological value”).
  • Gledhill & Williams (2000) hanteren expliciet een metaperspectief als leidraad voor de didactische essays in hun inleidende bundel, die ze de programmatische titel Reinventing Filmstudies meegaven.
  • De Duitse essaybundel Film Quellen und Methoden der Filmforschung (Bock & Jacobsen 1997) biedt een panorama van internationale ontwikkelingen binnen film studies.

Op het deelgebied van filmtheorie bestaat al iets langer een levendig debat over methode en doelstelling. Zo publiceerde David Bordwell en Noël Carroll een bundel polemische essays met de eveneens programmatische titel Post-Theory: Reconstructing Film Studies (1996), waarin de auteurs de filmtheorie van de jaren zeventig resoluut afwijzen. Bordwell en Carroll kiezen voor de strategie van de polemiek. Dit brengt als voordeel met zich mee dat er leven in de brouwerij komt en dat de discussie meteen op scherp staat. Het nadeel is de bevreemding die hun polemiek bij de lezer kan opwekken: waarom zo uitvoerig aandacht besteden aan iets wat je afwijst? Bovendien verzandt hun betoog al snel in een wijdlopige theoretische uiteenzetting die even gortdroog is als wat ze zo ferm afwijzen.

Een andere strategie van een metaperspectief op filmtheorie is de keuze voor het geven van een respectvol en genuanceerd historisch overzicht van de voorgangers. Binnen filmstudies zijn hier enkele goede voorbeelden van te geven (NOOT 11).

Het metaperspectief bij de filmgeschiedschrijving kan bogen op een langere ontstaansgeschiedenis. Bij de filmgeschiedschrijving heeft zich immers in de jaren tachtig al een omslag plaatsgevonden, met de internationale jaarvergadering van filmarchieven in 1978 (het FIAF-congres van Brighton) als markeerpunt. Hommel (1991) beschrijft op een beknopte en heldere manier deze overgang van een klassieke filmgeschiedschrijving naar een revisionistische filmgeschiedschrijving. Het boek Film History: Theory and Practice (Allen & Gomery 1985) is nog steeds een unieke mijlpaal in het metahistorische perspectief. In 2001 verscheen in het vakblad Cinema Journaleen dossier over de aanpak van het onderwijs in filmgeschiedenis. (NOOT 12)

Ook de institutionalisering is bij de filmhistorici het meest ontwikkeld. De huidige filmhistorici kunnen een keuze maken uit een scala van internationale samenkomsten (NOOT 13). Momenteel bestaan er bovendien een aantal gespecialiseerde tijdschriften voor filmhistorici: onder andere Griffithiana, gelieerd aan het festival van Pordenone, KINtop, Cinema & Cie1895 en Les cahiers de la Cinemathèque, een uitgave van het instituut Jean Vigo. Filmhistoricus en –archivaris Paolo Cherchi Usai schreef een inleidend boek voor nieuwkomers in zijn werkveld en er bestaan gespecialiseerde gidsen voor de Nederlandse en de Vlaamse archiefwereld. (NOOT 14)

Op het deelgebied van de filmsociologie (het onderzoek van de praktijk van de filmwereld) is Jarvie (1970) een vroeg voorbeeld van reflectie. Zijn inventarisatie van de stand van zaken is inmiddels sterk verouderd, maar hij geeft een lijst van nog steeds zinnige vragen.

De tweede trend: verwarring over het object en de methode van filmstudies

Het is moeilijk het domein van de cinema af te bakenen en het wezenskenmerk van cinema te benoemen, omdat de vertrouwde grenzen zijn vervaagd. Filmtheaters vertonen ook ‘alternative content’ en steeds meer filmklassiekers en premièrefilms zijn alleen thuis in de huiskamer te zien. Moderne kunst in de musea bestaat steeds vaker uit audiovisuele installaties. De bioscoop heeft het monopolie van filmvertoning verloren, de kijkervaring in de filmzaal is slechts één van de vele mogelijkheden geworden. Er is sprake van “expanded cinema” (films die grenzen rekken, bestaande mogelijkheden verruimen) en van “exploding cinema” (films die grenzen verbreken, deconstructie van conventies). Kortom: de vraag dringt zich op: welk object bestudeert film studies nu eigenlijk?

Op het International Film Festival Rotterdam 2002 werd de ontologische vraag ”What (is) cinema?” tot thema verheven. Het wordt tijd dat deze identiteitsvraag ook academische aandacht krijgt. Raessens (2002) en Cartwright (2002) geven een aanzet hiertoe. Een relatief nieuwe ontwikkeling is het gebruik van het woord filmerfgoed (Engels: film heritage, Frans: patrimoine cinématographique) (NOOT 15).

Daarnaast bestaat de prangende vraag naar de methode van filmstudies. Het vak staat op een kruispunt van talloze buurwetenschappen. Aan de kant van de sociale wetenschappen heeft filmstudies raakvlakken met onder andere communicatiewetenschap (dat onder te verdelen is in richtingen als mediastudies, televisiewetenschap, Cyber Culture Studies, game studies, Popular Culture Studies, Gender Studies, Ethnic Studies en Queer Studies), maar ook met psychologie, kunstsociologie, kunsteconomie, bedrijfskunde (marketing & promotie) en bestuurskunde (filmbeleid).

Aan de kant van de geesteswetenschappen heeft filmstudies raakvlakken met bijvoorbeeld theaterwetenschap, kunstgeschiedenis, muziekwetenschap, letterkunde, algemene literatuurwetenschap, geschiedenis, mentaliteitsgeschiedenis, culturele antropologie en kunstfilosofie. Een relatief recent verschijnsel is de opkomst van “Visual Culture Studies” of “Cultural Studies” (NOOT 16).

De interdisciplinaire perspectieven van filmstudies hebben het voordeel van potentieel vruchtbare kruisbestuivingen mogelijk te maken, maar brengen tegelijkertijd ook het gevaar met zich mee van een vruchteloze richtingenstrijd over de juiste methode. Een uitdieping van dit punt zou een prachtig thema zijn voor een congresdag. Een eerste bijdrage ligt er al: in zijn oratie gaf prof. Frank Kessler in 2002 een profielschets van een huis waarin ruimte is voor vele bewoners (NOOT 17).

Conclusie

De tijd is rijp voor een bruisende academische conversatie over het onderzoek en het onderwijs van filmstudies in Nederland en Vlaanderen. Zowel vanuit een strategisch oogpunt (de erkenning van filmstudies is nog steeds niet diepgeworteld) als uit een praktisch oogpunt (de coördinatie van filmstudies kan tijdswinst opleveren en het curriculum ten goede komen) en natuurlijk uit ideële overwegingen (de uitwisseling van gedachten verbetert de wereld).

In Nederland en Vlaanderen is helaas nog weinig sprake van een bruisende academische conversatie over het vak filmstudies. Waar blijft de openbare en kritische polemiek over de mogelijke vraagstellingen en methoden, wanneer gaat er een grondige evaluatie van reeds behaalde resultaten plaatsvinden?

Nunancering: op onderzoeksvlak bestaan vele internationale bijeenkomsten (symposia, congressen, seminars) en op onderwijsvlak worden per universiteit vele diepgravende zelfevaluaties gehouden.

Wat ik echter nog mis, op zowel onderzoeksvlak als op onderwijsgebied, is de communicatie binnen het eigen taalgebied, een goede communicatie tussen de universiteiten in Vlaanderen en Nederland. We zouden ook een internationale primeur hebben door bij deze uitwisseling van gedachten meteen een reflectie te plegen op de samenhang tussen onderzoek en onderwijs.

Noten

Een kortere versie van deze tekst verscheen in Boekman-cahier60 (2004): ‘Een panoramaschets van filmstudies’, in: Boekmancahier, tijdschrift voor kunst, cultuur en beleid,16ejaargang, nr. 60 (zomer 2004), blz.102-109. Een aangevulde en aangepaste versie is verschenen in het digitale tijdschrift E-view04-2:‘Filmstudies in Nederland en Vlaanderen. Een panoramaschets’.
NOOT 1 – De grondleggers van filmstudies in Nederland en Vlaanderen
Zie ook: Hogenkamp, B. (1999) Ogen en oren tekort? De wetenschap en de audiovisuele media(oratie 12 maart 1999). Utrecht: Nederlandse Audiovisueel Archief/ Faculteit der Letteren, Universiteit Utrecht.
NOOT 2 – Nederlandse en Vlaamse proefschriften op het gebied van filmstudies
  • Spraakmakende filmhistorische dissertaties zijn geschreven door onder andere Ivo Blom, Ansje van Beusekom, Bernadette Kester, Judith Thissen, Nanna Verhoeff (in Nederland) en Roel Vande Winkel en Guido Convents (in Vlaanderen).
  • Op het gebied van de Nederlandstalige filmtheorie is de oogst aan proefschriften minder groot. Ed Tan en Anneke Smelik behoren tot de pioniers, met internationale uitstraling. Hans van Driel en Jack Post onderzochten in hun dissertaties de semiotische filmanalyse. De Groningse Pietsie Feenstra trok voor haar proefschrift naar Parijs. In Nederland is te wijzen op twee recente bijdragen, namelijk van Patricia Pisters (Amsterdam) en van Joost Raessens (Utrecht), beiden met het werk van de Franse filosoof Gilles Deleuze als onderwerp.
  • Op het gebied van de praktijk van de filmwereld kunnen we enkele proefschriften signaleren, van Bart Hofstede en J.Ph. Wolff (Nederland) en Ernest Matthijs en Philippe Meers (Vlaanderen).
  • De internationale promovendi in Nederland en Vlaanderen blijven hier buiten beschouwing.
Voor een zo volledig mogelijke inventarisatie van de Nederlandse en Vlaamse proefschriften, zie mijn website. Voor een Vlaamse aanvulling: in hetJaarboek van de Belgische film(uitgave van het Koninklijk Belgisch Filmarchief) staat een inventarisatie van de Vlaamse “eindverhandelingen” (internationale term: master thesis of master dissertation, Nederlandse term: doctoraalscriptie) en de Vlaamse “doctoraalthesissen” (internationale term: phd-thesis of doctoral dissertation, Nederlandse term: proefschrift).
NOOT 3 – Voor reflectie over de Nederlandstalige mediageschiedenis, zie onder andere (in chronologische volgorde):
NOOT 4 – Hoogleraren filmstudies in Nederland en Vlaanderen (anno 2005)
  • Hoogleraren in Amsterdam: Thomas Elsaesser (vanaf 1991), José van Dijck is hoogleraar Televisie, Media en Cultuur (vanaf 2000). Ed Tan was eerst hoogleraar bij de leerstoelgroep Woord en Beeld bij Algemene Cultuurwetenschappen van de Vrije Universiteit, in 2003 verhuisde hij naar het Instituut voor Communicatie van de Universiteit van Amsterdam, waar mediahistoricus Frank van Vree het hoogleraarschap Journalistiek en Cultuur vervulde. Liesbet van Zoonen is hoogleraar Communicatiewetenschap. Bij de leerstoelgroep Film en Televisiewetenschap van de Universiteit van Amsterdam werd Patricia Pisters in 2004 tot hoogleraar benoemd (de zgn. “Van der Leeuw-hoogleraar filmstudies”). Aan de Vrije Universiteit werd in 2006 Bert Hogenkamp benoemd als hoogleraar ( hij ging in 2015 met emeritaat).
  • Hoogleraren in Utrecht (Instituut voor Media Representatie): William Urricchio (vanaf 1993), Frank Kessler (vanaf 2001). Bert Hogenkamp was van 1998 tot 2006 bijzonder hoogleraar in de Geschiedenis van Film, Radio en Televisie in Nederland. Sonja de Leeuw werd in 2003 benoemd tot hoogleraar Nederlandse televisiecultuur in internationale context. In 2004 werd Christina Slade benoemd tot hoogleraar Mediatheorie.
  • In Nijmegen is Anneke Smelik sinds 2002 hoogleraar Visuele Cultuur bij de afdeling Algemene Cultuurwetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen.
  • In Gent werd Daniel Biltereyst in 1998 benoemd tot docent en in 2003 bevorderd tot hoogleraar.
  • In Leuven is Willem Hesling hoogleraar bij de vakgroep Audiovisuele Communicatie.
NOOT 5 – Onderzoekscholen in Nederland voor filmstudies (anno 2005):
  • Het Huizinga Instituut, interuniversitaire onderzoekschool voor cultuurgeschiedenis (Amsterdam)
  • ASCA instituut voor cultuuranalyse (Amsterdam)
  • Onderzoekschool Literatuurwetenschap (OSL, Utrecht)
  • Rudolf Agricola Instituut (Groningen)
  • Nederlandse Onderzoekschool Vrouwenstudies (NOV, Utrecht)
  • Onderzoeksinstituut Geschiedenis en Cultuur (OGC, Utrecht)
NOOT 6 – De reflectie over de didactiek van filmstudies in Nederland gebeurde tot nog toe vooral in interviews, zie onder andere (in chronologische volgorde):
  • Tee, E. (1982) ‘Filmonderwijs. Een gesprek met Eric de Kuyper’. in: Skrien 121 (september 1982) p 20-22.
  • ‘Versus projekten en een interview met Eric de Kuyper’. in: De Filmkrant, nr. 47, juni 1985, p. 9-12.
  • Hesling, W. (1987) ‘ Recent Film and Television Research in the Netherlands and Belgium’. in: Gesellschaft für Film- und Fernsehwissenschaft (red.) (1987). Film- und Fernsehwissenschaft in der Bundesrepublik Deutschland, Münster: Nodus Publikationen.
  • Blondeel, J. et.al. (1988) ‘Filmonderwijs: vijf opvattingen’. in: Andere Sinema 88 (nov./dec. 1988), p 4-19.
  • Poppe, E. (1989) Het filmonderwijs aan de universiteiten’, in: Versus 1/1989, pp. 125-127.
  • Linthors, G. (1991) ‘Film omgeeft ons overal. Interview met Thomas Elsaesser’. in: De Filmkrant, nr. 118, december 1991, p. 3-5.
  • Bernink, M. & M. Hommel (1991-92) ‘Gesprek met Thomas Elsaesser’. in: Skrien 181 (dec 1991/ jan 1992), p. 36-39.
  • Smelik, A. (1994) ‘Leve de Nederlandse filmwetenschap!? Interview met William Uricchio’. in: De Filmkrant, nr. 143, maart 1994, p. 16.
  • Barten, E. & J.van der Burg (1998) ‘Na het optimisme volgde de kater – interview met Bert Hogenkamp’. in: De Filmkrant, juni 1998, p.25. URL: http://www.filmkrant.nl/av/org/filmkran/archief/fk190/hogenkam.html
 NOOT 7 – Nederlandstalige inleidingen filmstudies en mediastudies, in alfabetische volgorde:
  • Baeten, J. & G. Verstraete (eds. 2002) Cultural Studies: Een inleidingKampen: Kok Agora.
  • Biltereyst, D. & Vande Winkel, R. (eds. 2004) Bewegend Geheugen: Een gids voor Audiovisuele Bronnen. Gent: Academia Press.
  • Biltereyst, D. & Ph. Meers (eds. 2004). Film/TV/Genre. Gent: Academia Press.
  • Bosma, P. (ed. 1991). Filmkunde: Een inleiding. Nijmegen: Sun/Open universiteit.
  • Bosma, P. (ed. 2009) ‘Digitale heruitgave van het Werkboek Filmkunde (Open Universiteit)’, in: E-view 2009-1.
  • Driel, H. van (ed. 2004) Beeldcultuur, Amsterdam: Boom.
  • Elsaesser, Th. & P. Hesselberth (eds. 2000)Hollywood op straat: Film en televisie in de hedendaagse mediacultuur. Amsterdam: Vossiuspers/Amsterdam UP.
  • Pauwels, L. & J.-M. Peters (eds. 2005) Denken over beelden: Theorie en analyse van het beeld en de beeldcultuur, Leuven: Acco.
  • Pauwels, L. (ed. 2007) Methodisch kijken: Aspecten van onderzoek naar film- en beeldcultuur, Leuven: Acco.
  • Peters, J. M. (2003) Het bezielde beeld: Inleiding in de filmmontage. Amsterdam: Amsterdam UP.
  • Pisters, P. (2011) Lessen van Hitchcock: Een inleiding in de mediatheorie. Amsterdam: Amsterdam UP (4e druk).
  • Reesink, M. & J. Hermes (2003) Inleiding Televisiestudies. Amsterdam: Boom.
  • Simons, J. (2002) Een inleiding in de mediatheorie. Amsterdam: Amsterdam UP.
  • Smelik, A. & R. Buikema & M. Meijer (1999) Effectief beeldvormen: Theorie, praktijk en analyse van beeldvormingsprocessen, Assen: Van Gorcum.
  • Verstraten, P. (2006) Handboek Filmnarratologie, Nijmegen: Vantilt.
  • Verstraten, P. (2008) Kernthema’s in de filmwetenschap, Amsterdam: Boom.
  • Vos, Ch. (2005)Het verleden in bewegend beeld: Inleiding in de analyse van audiovisueel materiaal. Amsterdam: Boom (2edruk).
  • Zoonen, L. van (2002) Media, cultuur en burgerschap: Een inleiding. Amsterdam: Aksant (2edruk).
De verschijning van het boek Inleiding Televisiestudieskreeg in de Nederlandse pers kritische aandacht. Maarten Reesink verweerde zich tegen de verwijten van zijn critici, zie: Reesink, M. (2003). ‘Niet de liefde, maar de interesse is onbeperkt’, in: Skrien, jrg 35, no 9 (nov 2003) p 40-42.
NOOT 8 – Enkele nieuwe initiatieven op het vlak van filmstudies, bij de invoering van de Bachelor/Master-structuur:
  • Aan de Universiteit Antwerpen bestaat sinds 2003 een “Master Filmstudies en Beeldcultuur”.
  • Bij de Rijksuniversiteit Groningen is het bestaande bijvak film studies omgebouwd tot een bachelor-specialisatie “Kunsten, cultuur en media” en er is een nieuwe minor in de maak “Film en sociale context”. Gedurende enkele jaren werd de RuG de meesterklas filmkritiek georganiseerd, onder leiding van Hans Beerekamp. Tevens is sprake van een internationale onderzoekssamenwerking met het Birbeck College London en de Nouvelle Sorbonne, Paris III.
  • Aan de Erasmus Universiteit Rotterdam heeft men de master Mediajournalistiek ontwikkeld.
  • In Maastricht is binnen Cultuurwetenschappen aandacht voor filmstudies en in 2005 start daar een Engelstalige MA Mediacultuur.
Uiteraard zijn er in Nederland en Vlaanderen vele nieuwe masteropleidingen bijgekomen. Voor een volledig overzicht: zie noot 9.
NOOT 9 – De digitale Gids voor Mediastudies staat op de website van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid:
http://www.beeldengeluid.nl/template_subnav.jsp?navname=onderwijs_categorie_gids_mediastudies&category=expertise
NOOT 10 – De prof. Peters Prijs was een initiatief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid. zie http://www.siswo.uva.nl/projecten/cam/pprys/peters1.html
NOOT 11 – Metaperspectief op filmtheorie, enkele publicaties in chronologische volgorde:
  • Andrew, J. Dudley, The Major Film Theories. An Introduction. London etc: Oxford UP, 1976.
  • Hollows, Joanne & Mark Jancovich (eds.) Approaches to Popular Film, Manchester/ New York: Manchester UP, 1995.
  • Casetti, Francesco, Theories of cinema 1945-1990, Austin: University of Texas Press, 1999. transl. of: Teorie del cinema, dal dopoguerra ad oggi, Bompiani, 1993 (1978).
  • Miller, Toby & Robert Stam (eds.) A Companion to Film Theory, Oxford: Blackwell, 1999.
  • Stam, Robert, Film Theory: An introduction. Malden/Oxford: Blackwell, 2000.
  • Aitken, Ian, European Film Theory and Cinema. A Critical Introduction. Edinburgh: Edinburgh University Press, 2001.
  • Felix, Jürgen (ed.) Moderne Film Theorie, Mainz: Bender verlag, 2002.
Het is interessant om te zien hoe de vaktijdschriften de reflectie over filmtheorie gaande houden. Vaak is bij de lancering van een nieuw tijdschrift sprake van gloedvolle beginselverklaringen, zie bijvoorbeeld het tweetalige tijdschrift Iris, revue de théorie de l’image et du son/ Iris, A journal of theory on image and sound  (nr 1, 1983), of de inleiding van Warren Buckland in  New Review of Film and Television Studies (vol 1, nr 1, 2003, p 1-6).
NOOT 12 – Voor internationale discussie over het onderwijs in film studies, zie (in chronologische volgorde):
  • Finch, Th. Films on the campus, New York: Barnes, 1970.
  • Lowry, E. The filmology movement and film study in France, Ann Arbor: UMI, 1985.
  • Allen, Robert C. (ed) Symposium: The Future of Cinema Studies, part 1: Cinema Journal 24, no. 2 (winter 1985) pp. 44-65; part 2: vol 24, no 4 (summer 1985) pp. 38-71.
  • ‘Arrêt sur Recherches’, Hors Cadre (nr 10, 1992).
  • Bock, Hans-Michael & Wolfgang Jacobsen (eds), Recherche: Film. Quellen und Methoden der Filmforschung, München: Verlag edition text + kritik, 1997.
  • SCS Committee on Teaching, ‘Introducing Students to Film’. in: Cinema Journal 41, no 1 (fall 2001).
  • Grieveson, L. & H. Wasson (2008) Inventing Film Studies. Durham: Duke UP.
NOOT 13 – Enkele internationale samenkomsten van filmhistorici
Naast de FIAF-congressen ontstonden diverse platforms voor filmhistorici, onder andere in de vorm van jaarlijkse festivals. Sinds 1982 bestaat het festival Giornate del Cinema Muto in Pordenone, later aangevuld met het meer publieksgerichte Festival Cinema Ritrovato in Bologna.  De verbinding tussen filmarchieven en universiteit werd ook gelegd via het Archimedia netwerk.
Daarnaast is ook sprake van een groeiende traditie van wetenschappelijke congressen, zoals de Conferentie in Udine en de congressen van Domitor, een internationale stichting ter promotie van de studie van de vroege cinema. In Nederland is het Filmmuseum actief in de ondersteuning van filmgeschiedschrijving, onder andere door middel van de ‘Amsterdam Workshops’.
Enkele organisaties:
  • FIAF (Fédération Internationale des Archives du Film)
  • Giornate del Cinema Muto (Pordenone)
  • Festival Cinema Ritrovato (Bologna)
  • Archimedia
  • Conferentie van Udine. In 2002 was het thema remakes van zwijgende films (“Film and Its Multiples”) in 2003 gevolgd door het thema “Film’s Thresholds”.
  • De eerste voorzitter was de Canadese filmhistoricus André Gaudreault, verbonden aan de Franstalige universiteit van Montreal en ook leider van het omvangrijke onderzoeksproject GRAF, dat gericht is op een complete inventarisatie van alle films uit periode 1899-1907. Gaudreault werd bij Domitor opgevolgd door Paolo Cherchi Usai, opgevolgd door de Amerikaanse filmhistoricus Tom Gunning, in 2003 opgevolgd door Frank Kessler. Het 8e Domitor Colloqium vond plaats in Nederland, juni 2004.
NOOT 14 – Wegwijs raken in filmarchieven …
  • Cherchi Usai, Paolo, Silent Cinema: An Introduction. London: British Film Institute, 2000 (2th ed).
  • Maden, Frank van (ed), Audiovisuele collecties, Hilversum: uitgeverij Verloren, 1993.
  • Biltereyst, D. & Vande Winkel, R. (eds.) Bewegend Geheugen. Een gids voor Audiovisuele Bronnen, Gent: Academia Press, 2004.
NOOT 15 – Enkele boeken over het filmerfgoed:
  • Houston, Penelope, Keepers of the Frame: The Film Archives, London: BFI, 1994.
  • Mc Greevey, Tom & Joanne Yeck, Our Movie Heritage, New Brunswick: Rutgers UP, 1997.
  • Olmeta, Patrick, Les cinémathèques. Le patrimoine cinématographique en France, 1898-1993, Université de Nice/ Sophia Antipolis, 1995.
NOOT 16 – De opkomst van Cultural Studies was in 2002 onderwerp van een mini-polemiek in De Groene Amsterdammer, zie:
NOOT 17 – Kessler, Frank, Het idee van vooruitgang in de mediageschiedschrijving (oratie 11 november 2002), Utrecht: Faculteit der Letteren, Universiteit Utrecht, 2002.

Gebruikte literatuur

  • Allen, R.C. & D. Gomery (1985) Film History: Theory and Practice. New York: Knopf.
  • Bock, H.-M. & W. Jacobsen (red.) (1997)Film: Quellen und Methoden der Filmforschung. München: edition text + kritik.
  • Bordwell, D. & N. Carroll (red. 1996) Post-Theory. Reconstructing Film Studies, Wisonsin: University of Wisconsin Press.
  • Bosma, P. (2003) ‘Filmstudies, the state of the art’. in: E-view, elektronisch magazine over theater, film, televisie & digitale media 2003, nr. 1.
  • Buckland, W. (1998). How to Teach Yourself Film Studies. London: Hodder & Stoughton.
  • Cartwright, Lisa (2002) ‘Film and the digital in visual studies: film studies in the era of convergence’, in: Journal of Visual Culture, vol 1, nr. 1 (april 2002) p 7-23. Op internet: < http://vcu.sagepub.com/cgi/content/abstract/1/1/7>.
  • Dyer, R. (1998) ‘Introduction to Film Studies’. in: Hill, J. & P. Church Gibson (red) The Oxford Guide to Film Studies, Oxford: Oxford UP, p 3-10.
  • Gledhill, Ch. & L.Williams (red.) (2000) Reinventing Film Studies. London: Arnold.
  • Jarvie, I.C. Movies and Society/ Sociology of the Movies. New York: Basic Books, 1970.
  • Hogenkamp, B. (1999) Ogen en oren tekort? De wetenschap en de audiovisuele media(oratie 12 maart 1999). Utrecht: Nederlandse Audiovisueel Archief/ Faculteit der Letteren, Universiteit Utrecht.
  • Hommel, M. (1991) ‘Filmgeschiedschrijving’ in: Bosma, P. (red.), Een inleiding. Nijmegen: Sun/Open universiteit, pp. 119-164.
  • Hoogerman, L. (1998) Gids voor Mediastudies in Nederland(NAA-werkuitgave nr. 18, Amsterdam: Nederlands Audiovisueel Archief (2edruk).
  • Meers, Philippe, ‘(almost) Everything You Wanted to Know about the Movies but were Afraid to Ask Film Studies. Teaching, Reading and ‘Reinventing’the Field’, in: Communications, vol. 30, no. 1 (January 2005) pp. 97-108.
  • Raessens, J. (2002) ‘Cinema and beyond. Film en het proces van digitalisering’, in: Mul, J. de (red.) (2002). Filosofie in cyberspace: Reflecties op informatie- en communicatietechnologie. Kampen: Klement, pp. 119-154.
  • Tee, E. (1985) ‘Studeren: een overzicht van het film- en televisieonderwijs in Nederland’. in: Skrien 143 (sept/okt 1985), pp.52-55.
Ter aanvulling: De beginjaren van filmeducatie en film studies in Groot-Brittanië is uitvoerig beschreven in: Bolas, Terry (2009)Screen education – from film appreciation to media studies, Bristol/Chicago: Intellect Books. De beginjaren van film studies in de VS is beschreven in: Polan, Dana (2007) Scenes of Instruction: The Beginnings of the U.S. Study of Film, Berkeley: University of California Press.Zie ook: Grieveson, Lee & Haidee Wasson (eds. 2008) Inventing Film Studies, Durham: Duke UP.
De Raad voor Geesteswetenschappen (RGW) van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (www.knaw.nl) liet een Verkenning Media- en Communicatiestudies doen, die in 2007 gepubliceerd werd: “Samenspel in samenhang. Onderwijs en onderzoek in communicatie, media en informatie” (Amsterdam, 2007).
Nog meer relevante publicaties:
  • Biltereyst, Daniel & Philip Meers (eds. 2007), De Verlichte Stad: Een geschiedenis van bioscopen, filmvertoningen en filmcultuur in Vlaanderen, Leuven: Lannoo Campus.
  • Biltereyst, Daniel & Christel Stalpaert (eds. 2007), Opstellen over film, verleden en geheugen, Gent: Academia Press.

Over de auteur

Peter Bosma (1960) studeerde Nederlands (kandidaats, 1979-1982) en Theaterwetenschap (kopstudie, 1982-1986) aan de Universiteit Utrecht. In zijn studiejaren volgde hij filmcolleges bij onder andere Eric de Kuyper in Nijmegen, Nico Brederoo in Leiden en prof. Vandenbunder in Brussel en Neerpelt. Aangevuld met lessen filmgeschiedenis van Hans Saaltink bij de Filmacademie en lessen filmanalyse van Harry Kümel. Na zijn studie nam hij het initiatief voor de ontwikkeling van een cursus filmkunde bij de Open Universiteit, met medewerking van een hoogwaardig auteursteam.