Copyright Featured Image and Page Header Image: Unknown.
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Een begripsbepaling van professionele filmkritiek
3. Analyse van de invloed van de filmcriticus
Aanbevolen literatuur + noten

 

 1. Inleiding

Reageren op een film is belangrijk, want dan leeft de film na afloop verder. Filmkritiek is onderdeel van deze levenslijn. Maar wat is filmkritiek precies? Vele jaren geleden probeerde ik een antwoord te formuleren. Het werd een lang verhaal [NOOT 1] dat ik nu in een eigen eindredactie neerzet. In de noten staan bronvermeldingen en uitvoerige bibliografische aantekeningen die behulpzaam kunnen zijn voor studenten die een eigen onderzoek willen opstarten.

Laat ik beginnen met een reeks vragen op te werpen. Richtinggevende onderzoeksvragen op het gebied van de productiekant van filmkritiek kunnen zijn:

  • Welke conventies worden in de wereld van de filmkritiek onderscheiden, op welke wijze zijn deze conventies zichtbaar in het eindresultaat?
  • Welke factoren hebben invloed op de filmkritische praktijk?
  • Welke criteria kan men stellen aan een filmkritiek?

Richtinggevende onderzoeksvragen op het gebied van de receptiekant van filmkritiek kunnen zijn:

  • Welke invloed heeft de filmkritiek op de lezers of luisteraars?
  • Welke invloed heeft de filmkritiek op de reacties van filmbezoekers?
  • Welke invloed heeft de filmkritiek op de reputatie van films en filmers? Welke invloed heeft filmkritiek op canonvorming?

Het is mogelijk het onderzoek van filmkritiek verder te verdelen in twee aspecten:

  1. De betekenisgeving (de interpretatie, geworteld in een lange hermeneutische traditie, voortbouwend op vele voorgangers)
  2. De waardering (de beoordeling, geworteld in een lange kunstfilosofische traditie, met een dynamiek van herwaardering en verschuivende oordelen).

David Bordwell biedt met Making Meaning (1985) een basis voor nader onderzoek van het interpretatieproces in de filmkritiek, hij bespreekt de literatuur binnen filmstudies en bouwt voort op de onderzoekstraditie binnen de literatuurwetenschap [NOOT 2].

Bij het beoordelen van de filmkritiek kan men aansluiten bij de eeuwenoude traditie van de retorica, gericht op het optimaliseren van de compositie en het optimaliseren van de efficiëntie en de effectiviteit van de teksten (zie onder andere Bordwell 1989, 205). De conventies op het gebied van de compositie en de overtuigingskracht van een filmkritiek kunnen beoordeeld worden met het begrippenapparaat van de argumentatieleer. Laurent Jullier biedt met zijn boek Qu’est-ce que c’est un bon film?(2002) een aanzet tot analyse van het evaluatieproces in filmkritiek [NOOT 3].

Vakmanschap

Filmkritiek is een vak, met een mate van ambachtelijke taalvaardigheid en een persoonlijke taakopvatting van de filmcriticus (woordgebruik, doelstellingen, intenties). De basis van een meesterlijke filmkritiek lijkt mij te liggen in:

  1. De beschrijving van feitelijke gegevens (relevantie informatie over het verhaal, de filmmakers, het productieproces),
  2. De signalering van samenhang en verbanden met overige films (classificaties of dwarsverbanden op basis van genres, stromingen, oeuvres, stijlen)
  3. De situering in de culturele context.

Een recensie schrijven is een ambacht, dat geldt voor alle kunstdisciplines: “Volgens de alom gerespecteerde theatercriticus Hana Bobkova vallen uit elke recensie vijf onderdelen te destilleren: achtergrondinformatie, beschrijving, analyse, interpretatie en evaluatie. In een interview met het tijdschrift over theater, muziek en dans TM zegt ze: ‘Als je weinig ruimte hebt, moet de achtergrondinformatie worden weggelaten, die is het minst belangrijk. De vijf onderdelen volgen niet persé na elkaar. De beschrijving kun je op diverse wijze benutten, als argumentatie of bij de interpretatie’.” [NOOT 4]

De filmcriticus vervult de rol van ideale toeschouwer, want ze kunnen hun waardeoordelen en hun betekenisgeving uitvoeriger en met meer ervaring verwoorden en toelichten dan gewone kijkers. Goede filmrecensies bewijzen dat over smaak zeker valt te twisten. De ideale filmcriticus doet op voorbeeldige wijze verslag van de activiteit van een voorbeeldige filmtoeschouwer. De filmkritiek kan bijdragen aan een vergelijking van inzichten en meningen, de filmkritiek kan uitnodigen tot een openbaar debat en kan richting geven aan de reflectie op film en kan een stimulans geven aan het aanwakkeren van eigenzinnige filmliefde (‘cinephilia’).

Aan de andere kant resulteren filmrecensies vaak in een kakofonie van stellige verkondigingen van volstrekt verschillende individuele opvattingen en meningen, die daarmee uiterst relatief zo niet betekenisloos worden. Bovendien wijkt het oordeel van de criticus vaak totaal af van de ‘normale’ filmtoeschouwers, wat zichtbaar is in bijvoorbeeld de toptien lijsten per jaar, gepeild onder Volkskrantlezers en de filmcritici van die krant. Een zekere beroepsdeformatie lijkt bij filmcritici bijna onvermijdelijk?

Afbakening

Een gedegen onderzoek van het complexe verschijnsel van filmkritiek vergt om te beginnen een precieze definitie of afbakening, maar dat is niet eenvoudig. Filmkritiek is een pluriform verschijnsel, met een geschiedenis van ruwweg honderd jaar. Er is sprake van een brede stroom van denkwijzen, keuzes, positiebepalingen en meningvormingen.

Filmkritiek is te beschouwen als een veelsoortige uiting van een hoogst individuele respons, maar wordt ook gekenmerkt door talloze collectieve conventies, geworteld in een eeuwenoude traditie van cultuurkritiek. Er is sprake van een dynamiek van wisselende heersende opvattingen: een strijd over de vraag welke visies op filmkunst en welke opvattingen over filmkritiek dominant worden, bevestigd blijven of in vergetelheid raken. Het gaat hier om canonvorming in meerdere opzichten: ten eerste de bepaling wat acceptabele filmkunst is (met een mogelijke focus op de reputatievorming van een specifieke film of groep van films) en ten tweede wat acceptabele filmkritiek is (met een mogelijke focus op de reputatievorming rondom een specifieke criticus).

2. Een begripsbepaling van professionele filmkritiek

Een systematische afbakening van de term “professionele filmkritiek” zou kunnen gebeuren door drie noodzakelijke voorwaarden te hanteren:

  • Ten eerste gaat het om teksten waarin een beargumenteerd waardeoordeel en een onderbouwde interpretatie gegeven wordt.
  • Ten tweede gaat het om teksten die toegankelijk zijn gemaakt in het openbare domein, dit kan gebeuren door middel van een publicatie op papier (dagblad, weekblad, maandblad, kwartaalblad), of in digitale vorm (internet, cd-rom), of in de vorm van een gesproken tekst (radio, televisie, dvd).
  • Ten derde gaat het om teksten die geschreven zijn door mensen die dit beroepshalve doen.

Dit lijkt een heldere afbakening, maar dat valt toch tegen. Om te beginnne is bijna niemand is full-time professioneel filmcriticus. Het schrijven van filmrecensies wordt meestal gecombineerd met filmjournalistieke taken, zoals nieuwsgaring en berichtgeving over filmfestivals.

  • Het journalistieke genre van interviews met regisseurs en acteurs biedt een grote verscheidenheid in aanpak, uitwerking en kwaliteit [NOOT 5].
  • Het verschijnsel necrologie biedt een uitdaging om te komen tot een afgewogen schets van een leven, een oeuvre, een carrière, een persoonlijkheid [NOOT 6].

In het verlengde hiervan is het bij deze afbakening nog onduidelijk waar de inhoudelijke kwaliteitseis ligt. In het digitale tijdperk is sprake van een vervagend onderscheid tussen de professionele filmcriticus en de amateur filmcriticus. We zien een ongekende grote groei in omvang, bereikbaarheid en kwaliteit van ‘fan criticism’ (‘user comments’): filmliefhebbers die hun mening plaatsen op het internet via blogs of interactieve websites. Deze amateur filmcritici kunnen ‘digital communities’ vormen, zoals bijvoorbeeld het geval is bij de New York Times Film Forum(zie Behlil, 2005), of een eigen blog starten.

De filmkritieken van filmliefhebbers bieden interessant vergelijkingsmateriaal voor onderzoek van professionele filmkritiek. Enkele mogelijke vragen:

  • In welk domein is de groepscode het meest zichtbaar? Zijn de oordelen gelijkluidend of wijken ze af, waarom is dit wel of niet?
  • Welke verschuivingen treden op wat betreft de conventies van autoriteitsvorming en reputatievorming?

Deze vragen laat ik hier onbeantwoord, want ik probeer eerst maar eens helderheid te krijgen over de professionele filmkritiek en laat het verschijnsel van “fan criticism” buiten beschouwing [NOOT 7]. Met de drie genoemde voorwaarden is het met enig voorbehoud mogelijk een ruwe afbakening van professionele filmkritiek te geven. De volgende stap is een onderverdeling van filmkritiek in drie breed erkende subgenres: filmrecensies, filmessays en filmanalyses [NOOT 8]. Deze drie mogelijke vormen van filmkritiek onderscheiden zich van elkaar door een verschillende context.

  • Een filmrecensie staat meestal in een nieuwscontext (dagblad, opinieblad, radio en televisie),
  • Een filmessay staat meestal in een doelgroepcontext (filmtijdschrift, boekuitgave, database),
  • Een filmanalyse staat meestal in een wetenschappelijke context (vaktijdschrift, boekuitgave).

Het verschil in context van de drie mogelijke vormen van filmkritiek (recensie, essay, analyse) vertaalt zich in een verschillend lezerspubliek en een verschillende aanspreekvorm en taalgebruik. Naast geschreven teksten zijn ook gesproken teksten (pod casts) mogelijk en audiovisuele bestanden. Meer essentieel lijkt het onderscheid in welke mate een theoretisch kader gehanteerd wordt door de criticus. Een recensie is een ongebonden betoog, een onsystematische observatie en evaluatie, waarbij beschrijving, interpretatie en beoordeling van de film vloeiend in elkaar kunnen overlopen. Bij een essay is sprake van een meer expliciet kritische invalshoek en een filmanalyse staat in dienst van een wetenschappelijk perspectief, zoals bijvoorbeeld het neo-formalisme (‘historical poetics’). Discussievraag hierbij is: werkt deze toename van methodiek in een filmkritiek verhelderend of belemmerend? Het antwoord hierop is wat mij betreft niet eenduidig: er zijn zowel sublieme als stupide filmanalyses gemaakt [NOOT 9].

De bestudering van filmkritiek roept nog meer vragen op, zoals de vraag waar de grens ligt tussen betaalde promotie en onafhankelijke filmkritiek (een goede filmcriticus zal altijd elke schijn van belangenverstrengeling willen vermijden) en waar ligt de grens tussen oppervlakkige consumentenvoorlichting en gedegen filmkritiek? De laatste jaren zien we in recensies een opmars van de genadeloze eindconclusie in de vorm van een scores van vijf punten: is dit verontrustend of onvermijdelijk?

Een institutionele blik op het ambacht van filmkritiek

“Filmcriticus” is een onbeschermd beroep: iedereen kan zichzelf uitroepen tot filmcriticus. Er bestaan geen gespecialiseerde opleidingen voor filmcriticus. In historisch perspectief gezien bestaat vanouds een verbindingslijn tussen het beroep filmcriticus en het beroep van filmmaker. Aan de ene kant zijn er veel voorbeelden te noemen van filmcritici die zelf films gingen maken, aan de andere kant zijn er ook altijd filmmakers geweest die het maken van films gecombineerd hebben met reflectie op het werk van hun voorgangers of op de evaluatie van filmkunst in het algemeen [NOOT 10].

Een regisseur zoals Martin Scorsese maakte een persoonlijke getuigenis van zijn respect voor het filmerfgoed uit de jaren dertig tot en met vijftig van de Hollywood studio’s (A Personal Journey with Martin Scorsese Through American Movies) en hij gaf een bevlogen historisch overzicht van de Italiaanse cinema (My Voyage to Italy, een festivalhit, onder andere in Melbourne 2002 en Rotterdam 2002). Met andere woorden: hij ontpopt zich als een begaafde filmcriticus, die heel goed kan uitleggen waarom bepaalde films een grote indruk op hem hebben gemaakt en wat er zo bijzonder is aan deze (oude) films [NOOT 11].

Er bestaat ook een grote overlap tussen de beroepsvelden van filmcriticus en filmwetenschapper.

  • De filmcritici van de vroege cinema publiceerden vaak filmtheoretische werken (voorbeelden zijn Rudolf Arnheim, Béla Balàzs of later André Bazin). Ter ondersteuning van hun kritische werkzaamheden zochten deze critici naar de essentie van filmkunst, naar algemeen geldige criteria van wat pure filmkunst zou zijn.
  • Eigentijdse filmwetenschappers schrijven ook soms essays van filmkritische aard, als toepassing van hun theoretische of filmgeschiedkundige inzichten (voorbeelden zijn Amerikaanse filmwetenschappers als Kristin Thompson, David Bordwell, of Noël Carroll).

Institutioneel is het beroep van filmcriticus nog niet zwaar verankerd.

  • In Nederland is een nationale belangenvereniging een relatief recent verschijnsel. De beroepsvereniging ‘Kring van Nederlandse Filmjournalisten’ (KNF) werd voor het eerst opgericht in 1947, verwaterde snel en werd opnieuw gestart in 1982 [NOOT 12].
  • De internationale beroepsvereniging ‘International Federation of Film Critics’ (FIPRESCI) werd opgericht in 1925 en heeft dus een langere bestaansgeschiedenis. Deze vereniging profileert zich vanouds vooral op diverse filmfestivals, met het toekennen van ‘Prijzen van de Filmkritiek’ (zie www.fipresci.org).
  • Filmcritici kunnen zelf ook prijzen krijgen. In Nederland bestaat sinds 2005 de jaarlijkse uitreiking van de Louis Hartlooper Prijs voor Beste Filmpublicatie. In Duitsland bestaat sinds 2013 de Siegfried Kracauer Preis für Filmkritik, uitgereikt tijdens de Berlinale door het Verband der deutschen Filmkritik en partners.

Filmkritiek en filmerfgoed

De conventie wil dat filmcritici voornamelijk films bespreken rondom hun landelijke uitbreng in de bioscoop. De recensies van actuele films verliezen snel hun nieuwswaarde, maar kunnen op langere termijn een tweede leven gaan leiden bij hergebruik: ze kunnen een bijdrage gaan leveren aan het debat over filmerfgoed, over de schommelingen van reputaties en waarderingen. We moeten dus zuinig zijn op elke recensie, maar de meeste filmrecensies komen bij het oud papier terecht of leiden een sluimerend bestaan in archieven.

  • Het wetenschappelijk historisch onderzoek naar filmkritiek heeft in Nederland een eerste fundament gekregen [NOOT 13].
  • Slechts enkele critici bundelen hun recensies in boeken (een Amerikaans voorbeeld: Pauline Kael), of plaatsen hun recensies consequent en makkelijk bereikbaar op internet (een Amerikaans voorbeeld: Roger Ebert). De overlevering van recensies begint bij de ambities van de critici zelf: welke status geven ze aan hun beroep? De meer ambitieuze critici gaan uit van een gebruikswaarde van hun teksten die verder reikt dan de strijd om aandacht van dag tot dag [NOOT 14].
  • Het conserveren en toegankelijk houden van visuele filmhistorische essays en filmerfgoed-journalistiek op televisie is helaas een nog onontgonnen terrein [NOOT 15].

De professionele filmkritiek richt zich doorgaans op de journalistieke actualiteit van het filmaanbod. Bij filmrecensies is slechts incidenteel sprake van bespreking van filmerfgoed, want oude films hebben vanuit filmjournalistiek perspectief bezien slechts een beperkte actualiteitswaarde. De heruitbreng van een klassieker kan een aanleiding vormen voor een recensie, maar de presentatie van een zwijgende film met muzikale begeleiding bijvoorbeeld krijgt meestal geen aandacht. De berichtgeving over de uitbreng van filmerfgoed op dvd neemt toe, net als de aankondigingen van filmerfgoed dat op televisie uitgezonden wordt, maar dat blijft doorgaans beperkt tot kleine signaleringen (‘capsules’).

Wat is erfgoed precies? Een eerste antwoord staat geformuleerd in de bundel Erfgoed. De geschiedenis van een begrip(Amsterdam University Press, 2007) onder redactie van de historicus Frans Grijzenhout. In zijn inleiding schrijft hij: “De positieve, offensieve omgang met het geestelijke erfgoed (-) die zich richt op de kracht van een traditie en op de bijdrage die elke nieuwe generatie daaraan moet geven, vinden we vandaag de dag in ons werelddeel nog maar zelden. De houding die we het meest aantreffen in verband met het cultureel erfgoed in de ruime zin des woords is er eerder een van bezorgdheid en verdediging (-) Die tegenstelling tussen een positieve en een defensieve omgang met het erfgoedbegrip raakt aan de kern van de gecompliceerde betekenis en werking ervan. Het gaat om nagelaten goederen of gedachten van iemand die ons tijdens diens leven dierbaar was, het is een erfenis de we graag willen aanvaarden en bewaren, ook voor de volgende generaties. We willen dat erfgoed op de een of andere manier ook levend houden, door het te gebruiken, te benoemen, te bestuderen, steeds opnieuw te interpreteren, te bewonderen. (-) Soms lukt het om die zorg voor het erfgoed te integereren in de levende cultuur van vandaag. Maar vaak lukt dat niet of na een tijd niet meer. Dan wordt erfgoed, of dat nu van fysieke of van geestelijke aard is, tot ‘een museumstuk’, een benaming die er voor velen op duidt dat het voorwerp geplaatst is in de diepste ring van het vergeten.” [NOOT 16]

Laten we dit toepassen op de deelverzameling van filmerfgoed. De filmcriticus staat voor de taak de herinnering aan oude films levend te houden, als onderdeel van de filmkunst (‘patrimoine artistique’) of als onderdeel van een audiovisueel erfgoed (de visuele cultuur, de geschiedenis van de representatie), als onderdeel van het wereld erfgoed (‘world heritage’) of als onderdeel van het nationaal erfgoed (ook filmmakers zijn te beschouwen als ‘erflaters’ van onze beschaving).

De filmcriticus is in het geval van filmerfgoed zelden de eerste stem die gehoord wordt. Een filmkritiek over filmerfgoed heeft als kenmerk dat het een ‘second opinion’ vormt, dit soort filmkritiek is onderdeel van een ‘hermeneutische cirkel’ van interpretaties en oordelen. Een filmkritiek op filmerfgoed staat impliciet of expliciet in relatie met voorgangers, als voortzetting (nuancering en aanvulling) of als verzet. De filmkritiek is onderdeel van de dynamiek van herwaardering, een kritisch discours met ontwikkelingslijnen van vaak vele jaren.

  • De digitalisering heeft een nieuwe markt geschapen voor filmkritieken over het filmerfgoed, als tekst in het dvd-boekje of als ingesproken commentaar bij de film, of in de vorm van een audiovisueel essay [NOOT 17].
  • De digitalisering heeft in combinatie met toenemende aandacht voor filmeducatie ook een markt geschapen voor de publicatie van diverse filmgidsen in boekvorm [NOOT 18].

Een eerste mogelijke onderzoeksmethode van filmkritiek en filmerfgoed is het naast elkaar leggen van recensies uit verschillende periodes over dezelfde film, een onderlinge vergelijking biedt de basis voor de receptiegeschiedenis van de film. Een tweede mogelijke onderzoeksmethode is het naast elkaar leggen van meerdere kritieken over meerdere films uit dezelfde periode. Welke tijdsgeest is te constateren? Welke historische trends kunnen aangegeven worden [NOOT 19]?

Reflectie op het vak van filmcriticus

Reflectie over de taakopvattingen en intenties van filmcritici is in Nederland een nog vrijwel onontgonnen terrein. De Duitse filmcritici Rudolf Arnheim en Siegfried Kracauer hebben allebei in de jaren twintig enkele essays geschreven over hun taakopvatting.

Arnheimschreef in 1929 een artikel over de taken van een professionele filmkritiek. Hij zag de filmproductie als een mondiale kunstvorm in ontwikkeling, de filmcriticus heeft in zijn ogen vooral de didactische taak om de filmmakers de weg te wijzen naar een verbetering van hun fouten of een versterking van hun kwaliteiten.

The film critic sees the film production of the entire world as a unified work in which each individual piece has its place; it is the critic’s task to identify that place. He may leave hundreds of films unmentioned, since they are industrial mass products; where, however, there is an instructive example or an instructive error, he must intervene. For the critic should not give grades. Grades are immaterial. He should help navigate” [NOOT 20]

Door de komst van de geluidsfilm veranderde de filmesthetiek ingrijpend: Arnheim signaleerde een verval van de visuele creativiteit. De filmkritiek moet volgens hem zich hieraan aanpassen. In een artikel uit 1935 stelde hij dat de voornaamste taak van de filmcriticus is om niet te treuren over de esthetische teloorgang van de filmtaal, maar in plaats daarvan zich te richten op de economische context van de film en de analyse van de al dan niet verscholen aanwezige politieke en morele meningen.

Whether a film is geared by the producer or by the popular psyche, or whether it is used under the influence of a political authority as means of propaganda and education – it must always, today and tomorrow, be the task of the film critic to analyze these contents and to evaluate them, positively or negatively. Film is one of the most characteristic means of expression, and one of the most effective means of influence in our time. Not just individuals, but also peoples, classes, and forms of government play a part in it. The film critic of tomorrow will have this into account” [NOOT 21]

Siegfried Kracauer vond dat de filmcriticus tot taak had vooral te letten op de afbeelding van de werkelijkheid in films en kritisch te kijken naar de verborgen ideologie van de films. Hij was van mening dat films altijd een groot effect hebben op de publieke opinie en dat films meestal een vals beeld van de werkelijkheid geven [NOOT 22].

De Amerikaanse essayist en schrijver Susan Sontag ageerde in haar werk tegen hermeutici, dat wil zeggen theologen, marxisten en psychoanalytici die allemaal de neiging hebben om achter het zichtbare kunstwerk naar een ‘verborgen’, ‘diepere’, ‘echte’ betekenis te gaan zoeken, zonder waardering voor de schoonheid van het kunstwerk op zichzelf. Sontag pleitte voor een kunstkritiek die in plaats van te zwelgen in deze duidingsdrang (hermeneutiek) en uitlegreflex (exegese) meer aandacht geeft aan de vorm van het kunstwerk, ze pleit voor een kunstkritiek die in staat is om het kunstwerk te beminnnen. Haar essay ‘Against Interpretation’ bevat de veel geciteerde strijdkreet “In place of a hermeneutics we need an erotics of art” (Sontag 1966, 10).

Beginselverklaringen van filmcritici zijn tamelijk zeldzaam en specifieke uitspraken over intenties rondom reflectie op filmerfgoed zijn vrijwel afwezig, hier ligt een leemte die gevuld zou moeten worden met systematisch onderzoek. Over de intenties van Nederlandse filmcritici zijn slechts incidenteel publicaties en interviews verschenen. Het filmerfgoed komt bij deze discussies niet of nauwelijks ter sprake [NOOT 23].

In Nederland is te wijzen op initiatieven op het gebied van een algemene reflectie op het ambacht van filmkritiek, zoals de reeks gastlessen van Hans Beerekamp aan de Rijksuniversiteit van Groningen (vanaf 1999), of de rubriek ‘Mene Tekel’ van Annemieke Hendriks in Skrien(van februari 2001 tot 2005)[NOOT 24]. Tevens is te wijzen op incidentele evenementen zoals de KNF-seminars of het filmeducatieve weekend ‘Met Kritische Blik’ in 2001 [NOOT 25]. Het International Film Festival Rotterdam organiseert sinds 1998 een ‘Trainee Project for Young Film Critics’, waarin een groepje van maximaal zes jonge filmcritici (onder de dertig jaar) een kans krijgen verslag te doen van het festival [NOOT 26].

3. Analyse van de invloed van de filmcriticus

Filmkritieken kunnen gezien worden als een passieve weerspiegeling van de heersende smaak over welke films als artistiek waardevol of maatschappelijk interessant beschouwd worden op een bepaald moment of in een bepaalde periode. De filmkritiek is dan een primaire bron voor receptie-onderzoek. Filmkritiek kan ook beschouwd worden als een invloedrijke factor in de actieve vorming en bevestiging van de kwaliteitsopvattingen (de samenstelling van de canon van het filmerfgoed).

De mogelijke invloed van filmkritiek (recensie, essay en analyse) op de oordeelvorming over het filmerfgoed is nog grotendeels onontgonnen terrein. Voor het vaststellen van de mogelijke invloed van filmkritieken op de lezers is een omvangrijk kwantitatief empirisch onderzoek noodzakelijk. Het bestaande onderzoek richt zich tot nog toe op filmkritiek bij premièrefilms. Een voorbeeld is het onderzoek dat werd gedaan door Gerda Gemser en Martine van Oostrum (Rijksuniversiteit Groningen) en Mark Leenders (Universiteit van Amsterdam) in 2007. Hun conclusie was dat filmrecensies geen invloed hebben op het bezoek aan main stream films en dat bij art films vooral de omvang van de recensie invloed had [NOOT 27].

Elke filmkritiek kan gerekend worden tot de categorie ‘free publicity’ voor een filmvoorstelling of een dvd-uitgave, maar net als bij betaalde publiciteit is het effect hiervan onzeker. De vraag “Welke meetbare invloed heeft filmkritiek, op de recettes en op de oordeelvorming van het publiek?” is moeilijk te beantwoorden. Bij het besluit tot een filmbezoek en bij de oordeelvorming spelen vele moeilijk meetbare factoren een rol. Deze processen staan in een complexe context van conventies in de filmwereld en conventies in iemands privé-wereld.

  • Aan de kant van de invloedgever gaat het om de overtuigingskracht van de criticus, de mate van gezag die hem wordt toegekend en/of door hem geclaimd wordt. Zijn autoriteit zal mede afhankelijk zijn van de institutionele context: staat de filmkritiek in de context van life style (de agenda pagina) of in de context van kunstkritiek (de filmpagina), op een openbare fan site of in een gemodereerde database?
  • Aan de kant van de invloedontvanger (de consument) gaat het om een complex beslissingsproces rondom het bezoek aan de filmzaal. Slechts een klein deel van het filmerfgoed bereikt de status van algemeen erkend cultuurgoed.

Documentatie

 Aanbevolen literatuur
  • Beerekamp, Hans, ‘Pulp Friction. De verbeelding en de macht, gastlezing over filmkritiek Rijksuniversiteit Groningen’, in: NRC/Handelsblad, 26 maart 1999. URL: nrc.nl/W2/Nieuws/1999/03/26/Vp/cs.html.
  • Beusekom, Ansje van, Kunst en Amusement. Reacties op de film als nieuw medium in Nederland 1895-1940, Haarlem: Arcadia, 2001.
  • Blom, Ivo & Paul van Yperen, ‘Een historische schets van de filmkritiek in Nederland’, in: Bosma, P. (red.) Filmkunde, een inleidend overzicht: Werkboek.Heerlen: Open universiteit, 1991, pp. 100- 135.
  • Bordwell, D. Making Meaning: Inference and Rhetoric in the Interpretation of Cinema. Cambridge: Harvard UP, 1989.
  • Bywater, Tim & Thomas Sobchak, An Introduction to Film Criticism. Major Critical Approaches to Narrative Film, New York: Macmillan, 1989.
  • Corrigan, Timothy, A Short Guide to Writing about Film. New York etc: Longman, 2006 (6edruk).
  • Hill, John & Pamela Church Gibson (eds.) Film Studies: Critical Approaches.Oxford: Oxford UP, 2000
  • Jullier, Laurent, Qu’est-ce qu’ un bon film? p.: La dispute, 2002.
  • Wollen, Peter, ‘Films: Why do some survive and others disappear?’, in: Sight and Sound, jrg 3, nr 5 (May 1993) pp. 26-28.
 Noten (bronverwijzingen en bibliografische aantekeningen)
1. Delen van deze tekst over filmkritiek zijn eerder gepubliceerd in Skrien(met dank aan André Waardenburg en Hans Beerekamp voor hun commentaar op een eerste conceptversie).
  • Bosma, P. ‘Een verkenning van de context van filmkritiek, deel 1: Wat is filmkritiek?’, Skrienjrg 39, nr 8 (okt 2007) pp. 32-35. + Deel 2: ‘Filmrecensies hebben geen invloed’, in: Skrienjrg 39, nr 9/10 (nov 2007/jan 2008) pp. 42-44.
Deze artikelen bewerkte ik tot een toevoeging bij de digitale herdruk van het Werkboek van de cursus Filmkunde van de Open Universiteit, in E-view 2009-1.
2. Bordwell, David Making Meaning: Inference and Rhetoric in the Interpretation of Cinema. Cambridge: Harvard UP, 1989. De literatuurwetenschap kent vele kritische beschouwingen over de grenzen van interpretatie. Bordwell (1985, 258) noemt in chronologische volgorde:
  • Howe, Irving, ‘This Age of Conformity’, in: Partisan Review, jrg 21, no 1 (January-February 1954).
  • Sontag, Susan, ‘Against Interpretation’, in: ibidem, Against Interpretation and other Essays, New York: Farrar, Strauss & Giroux, 1966, pp. 3-14.
  • Hartman, Geoffrey, ‘Beyond Formalism’, in: MLNjrg 81, nr 5 (December 1966), pp. 542-556. Reprinted in Beyond Formalism, Literary Essays 1958-1970, New Haven: Yale UP, 1970, pp. 42-57. Reprinted in Gregory T. Polletta, ed., Issues in Contemporary Literary Criticism, pp. 161-172, 183-184. Boston: Little, Brown, 1973. Reprinted in Richard Macksey, ed., Velocities of Change: Critical Essays from MLN, 103117. Baltimore and London: Johns Hopkins University Press, 1974.
  • Culler, Jonathan. ‘Beyond Interpretation. The Prospects of Contemporary Criticism’, in: Comparitive Literature, jrg 28, nr 3 (Summer 1976), pp. 244-256. Reprinted in: The Pursuit: of Signs:Semiotics, Literature, Deconstruction.Ithaca, NY: Cornell UP, 1981. Reprinted in Adams, Hazard and Leroy Searle, eds. Critical Theory Since 1965.Tallahassee: UP of Florida, 1986, pp.322 – 329.
Hier is nog aan toe te voegen:
  • MacDonald, Ronan, The Death of the Critic, London: Continuum, 2007.
  • Eco, Umberto, The Limits of Interpretation, Bloomington: Indiana UP, 1990.
  • Reve, Karel van het, ‘Het raadsel der onleesbaarheid’, Huizingalezing 8 december 1978.
3. Jullier, Laurent, Qu’est-ce qu’ un bon film?Z.p.: La dispute, 2002. De kunstfilosofie kent vele reflecties op kunstkritiek en de problemen bij de evaluatie van de waardering van kunst. Zie onder andere: Beardsley, M.C., Aesthetics: Problems in the Philosophy of Criticism. Indianapolis: Hackett, 1981 (2e druk, oorspr. 1958).
Inleidende teksten:
  • Reesink, Maarten, ‘Over smaak valt niet te twisten. Populaire cultuur, kwaliteit en goede smaak’, in: Elsaesser, Thomas & Pepita Hesselberth (eds.), Hollywood op straat. Film en televisie in de hedendaagse mediacultuur, Amsterdam: Vossiuspers/Amsterdam UP, 2000, pp 100-110.
  • Zoonen, Liesbeth van ‘Over smaakt valt niet te twisten?’, in: ibidem, Media, cultuur en burgerschap. Een inleiding, Amsterdam: Aksant, 1999, pp 21-37.
Literatuur over waardeoordelen van (literatuur)critici:
  • Beekman, Klaus, ‘Literatuurkritiek in de wetenschap’, in: Deel, T. van & Marita Mathijsen & Gerard de Vriend (eds), Kijk op kritiek. Essays voor Kees Fens, Amsterdam: Querido, 2004, pp198-206.
  • Boonstra, H.T. ‘Van waardeoordeel tot literatuuropvatting’, in: De Gids 142 (1979) pp 243-253.
  • Grootendoorst, R., Crisis in de kritiek: argumentatietheorie en literaire recensies, Amsterdam: Vossiuspers AUP, 1998 (inaugurale rede).
  • Mooij, J.J.A., ‘De motivering van literaire waardeoordelen’, in: Tekst en lezer. Opstellen over algemene problemen van de literatuurstudie, Amsterdam: … 1979, pp 253-278.
  • Moor, W. de, De kunst van het recenseren van kunst, Bussum: Coutinho, 2003.
4. Geciteerd in: Waardenburg, André,‘Subjectiviteit zonder kritisch vermogen’, in: Skrien jrg 33 nr 4 (mei 2001) p. 35.
5. Enkele voorbeelden van geslaagde filmjournalistieke interviewbundels in het Nederlands:
  • Heesen Hans & Lex Veerkamp,Een volstrekt onverklaarbaar wonder. De eerste stappen op het filmpad van twaalf Nederlandse filmmakers, Utrecht: Louis Hartlooper Stichting, 2004.
  • Hendriks, Annemieke, De pioniers – Interviews met 14 wegbereiders van de Nederlandse cinema, Amsterdam: International Theatre & Film Books / Skrien / Filmmuseum, 2006.
  • Ieperen, Ab van, Filmster is een vak, Amsterdam: Landhoff, 1976. Recente interviews: URL: vn.nl/verhalen/archief/filmsterren.htm
6. Een voorbeeld van het genre van necrologie: In Nederland begon Hans Beerekamp in 1987 de rubriek ‘The Big Sleep’ in De Filmkrant, die in 2006 werd voortgezet in het tijdschrift Skrien(met ingang van nr. 1 van jaargang 38, zie www.skrien.nl). Vanaf februari 2006 presenteert hij in de zaal van het Filmmuseum het programma ‘het Schimmenrijk’, een cinefiele viering van verspreid liggende fragmenten uit de filmgeschiedenis, omfloerst door de melancholie van de nagedachtenis en het besef van sterflijkheid. Het programma is het resultaat van een odyssee door de collectie van het Filmmuseum en het aanbod van dvd-uitgaves, inclusief divers bonusmateriaal. Het programma biedt een reeks van momentopnamen die een extra lading krijgen door de actualiteit van het overlijden. Fictieve sterfscènes krijgen een extra rouwrand, maar ook gloriemomenten van vitaliteit krijgen een andere werking door de omlijsting van het ‘im memoriam’. Het Schimmenrijk wordt neergezet als “een maandelijkse protestmanifestatie tegen de dood, want iedereen die op film staat leeft eeuwig voort”.
  • Zie ook Marcel van den Haag,’Nederlands Film Festival 2006: Het Schimmenrijk. Hans Beerekamp eert de filmdoden’, in: 8Weekly, 28-9-2006. URL: 8weekly.nl/print.php?art=4536.
  • Voor het tekstgenre van de necrologie is te verwijzen naar Donnelley, Paul, Fade to Black: A Book of Movie Obituaries, London: Omnibus Press, 2005 (sec.ed) en de diverse internationale filmencyclopedieën.
7. Enkele voorbeelden van bekende filmkritische blogs: De meest fameuze blogger is Harry Knowles, die nu als “Head Geek’ de website www.aintitcool.combeheert. Van vergelijkbare professionele statuur is http://daily.greencine.com. Enkele blogs van internationale filmliefhebbers, in willekeurige volgorde: Erik Kersten & Marcel Westhoff (http://films.blieb.nl) , Craig Keller (http://cinemasparagus.blogspot.com); Girish Shambu (www.girishshambu.com/blog/index.html); Zach Campbell (http://elusivelucidity.blogspot.com); Dave Kehr (http://davekehr.com), Karsten Meinich (http://subtitlestocinema.owrdpress.com), Aaron Hillis (www.cinephiliac.com). En daarnaast de hobby-projecten van diverse professionals zoals David Bordwell, Chris Darke, Adrian Martin, Gert Jan Zuilhof (www.filmfestivalrotterdam.com).
8. In het Engels kunnen we spreken van 1. ‘journalistic criticism’ 2. ‘essayistic criticism’ 3. ‘academic criticism’ (Bordwell, 1989, p. 20) of van 1. ‘a movie review’ 2. ‘ a critical essay’ 3. ‘a theoretical essay’ (Corrigan, 2006).
  • Bordwell, D. Making Meaning: Inference and Rhetoric in the Interpretation of Cinema. Cambridge: Harvard UP, 1989.
  • Corrigan, Timothy, A Short Guide to Writing about Film. New York etc: Longman, 2006 (6edruk).
Voor een toelichting op de omschrijving van de aard van een filmrecensie (in verhouding tot essay en analyse), zie ook:
  • Corrigan, Timothy & Patricia White, The Film Experience. An Introduction, Boston: Bedford/ St. Martin’s, 2004, pp. 474-516.
  • Bobkova, Hana, ‘De geschiedenis van de kritiek moet nog geschreven worden’, in: Toneel Theatraal, jrg 108, nr 1 (jan. 1987) pp. 22-24.
9. Voor een overzicht van mogelijke filmkritische invalshoeken, zie o.a.
  • Bywater, Tim & Thomas Sobchak, 1989, An Introduction to Film Criticism: Major Critical Approaches to Narrative Film, New York: Macmillan.
  • Furby, Jacqueline & Karen Randell (eds), Screen Methods. Comparative Readings in Film Studies, London: Wallflower Press, 2005.
  • Hill, John & Pamela Church Gibson (eds), Film Studies: Critical Approaches, Oxford: Oxford UP, 2000.
  • Hollows, Joanne & Mark Jancovich, Approaches to Popular Film, Manchester/New York: Manchester UP, 1995.
  • Mathijs, Ernest & Xavier Mendick (eds) The Cult Film Reader, Berkshire: Open University Press, 2007.
  • Schenk, Irmbert (ed), Bestandaufnahme und Perspektiven, Marburg, 1998.
  • Taylor, G. Artists in the Audience. Cults, Camp, and American Film Criticism, Princeton: Princeton UP, 1999.
  • Thompson, Kristin, Breaking the Glass Armor: Neoformalist Film Analysis, Princeton: Princeton UP, 1988.
10. Enkele vroege voorbeelden van Franse filmcritici die ook filmmakers werden (of andersom) zijn: Louis Delluc (1890 -1924) – Les Ecrits Cinématographiques, Paris: Cinématheque Française, 4 vol, 1985-1990; Jean Epstein (1897-1953) – Écrits sur le cinéma 1921-1953, Paris: Editions Seghers, 1974 (2 vol);  René Clair (René Chomette, 1898 – 1981) –  Cinéma d’hier, cinéma d’aujourd’hui, Paris: Gallimard, 1970;  Germaine Dulac (1882-1942) – zie  Hillairet, Prosper (ed) Germaine Dulac: Écrits sur le cinéma(1919-1937), Paris: Paris Experimental, 1994.  In Frankrijk is verder te denken aan de Cahiers-critici als François Truffaut, Eric Rohmer, Jean-Luc Godard, Jacques Rivette, Claude Chabrol, Jean Douchet, Jacques Doniol-Valcroze. In Nederland is onder andere te denken aan de ‘Skrien-jaren’ van de filmmakers Mart Dominicus, Jos de Putter en Peter Delpeut.
11. Martin Scorsese over filmerfgoed, zie o.a.
  • Televisieserie: A Personal Journey with Martin Scorsese Through American Movies, 1995
  • Boek: Scorsese, M. & M.H. Wilson, A Personal Journey with Martin Scorsese Through American Movies, London: Faber, 1997 + dvd: A Personal Journey with Martin Scorsese Through American Movies, ….
  • Film: My Voyage to Italy, (Martin Scorsese, 1999) + dvd: My Voyage to Italy, (Martin Scorsese, 1999), Umbrella Entertainment/ the AV Channel, z.j.
12. voor de actualiteit van het KNF zie de website www.filmjournalisten.nl, voor details over de oprichting en de geschiedenis van het KNF zie o.a. de Jubileumkrant ter viering van het 25-jarig bestaan, verschenen als bijlage van de Filmkrantnr 288, mei 2007 – www.filmkrant.nl.
13. Voor filmhistorisch onderzoek naar filmkritiek in Nederland, zie o.a.
  • Barten, Egbert, ‘Schrijven voor de prullenmand. De geschiedenis van de filmkritiek in Nederland’, doctoraalscriptie VU, Amsterdam 1987.
  • Beusekom, Ansje van, Film als kunst: Reacties op een nieuw medium in Nederland, 1895-1940(Amsterdam: Vrije Universiteit, 1998). Handelseditie: Kunst en Amusement. Reacties op de film als nieuw medium in Nederland 1895-1940, Haarlem: Arcadia, 2001.
  • Blom, Ivo & Paul van Yperen, ‘Een historische schets van de filmkritiek in Nederland’, in: Bosma, P. (red.) Filmkunde, een inleidend overzicht: Werkboek.Heerlen: Open universiteit, 1991, pp. 100- 135. URL: uvt.nl/e-view.
  • Lowe, Alexandra Penrhyn, ‘Onderzoek naar filmkritiek. Meer ruimte voor kortere stukjes’, in: Skrienjrg 34, nr 8 (oktober 2002) pp. 25-29.
14. Over de gebruikswaarde van filmrecensies is in Nederland te verwijzen naar de uitspraken van Hans Beerekamp, filmredacteur bij het NRC/Handelsbladin de periode 1979 tot 2003 (bron: http://www.nrc.nl/krant/article70528.ece). Zie o.a.:
  • Proper, R. ‘Filmkritiek 1. Hans Beerekamp (NRC-Handelsblad). De encyclopedist.’ In: Vrij Nederland, 12-7-1980.
  • Burg, Jos van den, ‘De slappe knieën van de filmcritici’ (dossier filmkritiek, interview Hans Beerekamp) in De filmkrant198 (maart 1999). URL: http://www.filmkrant.nl/av/org/filmkran/archief/fk198/beerekam.html.
  • Beerekamp, Hans, ‘compleetheidsambitie’, in: Boekman, tijdschrift voor kunst, cultuur en beleid, jrg 15, nr. 57 (herfst 2003), pp. 108-109 (themanummer De kritiek).
15. De Britse filmhistoricus Kevin Brownlow heeft grote verdienste gehad in het populariseren van het filmerfgoed door zijn medewerking aan diverse tv-series, in samenwerking met David Gill:The Unknown Chaplin(GB, 1985); Keaton, A Hard Act to Follow (GB, 1987, Thames Television); D.W. Griffith, Father of Film(GB, 1996); Cinema Europa: The Other Hollywood(GB, 1995, BBC, ZDF & D.L. Taffner, zes delen. Vlaamse titel: Hoezo Hollywood). Daarnaast schreef hij vele populaire filmhistorische boeken
  • Brownlow, Kevin, The Parade’s Gone By, New York: Knopf, 1968. Herdruk: Berkeley: University of California Press, 1976, in paperback 1992.
  • Brownlow, Kevin, Napoléon, Abel Gance’s Classic Film, New York: Alfred A. Knopf (London: Jonathan Cape), 1983. Herdruk: Photoplay Productions, 2005.
  • Brownlow, Kevin, The War, the West and the Wilderness, New York: Knopf, 1979.
  • Brownlow, Kevin, Hollywood, the Pioneers, New York: Knopf, 1979.
  • Brownlow, Kevin,Behind the Mask of Innocence: Sex, Violence, Prejudice, Crime: Films of Social Conscience in the Silent Era. New York: Knopf, 1990. Herdruk in paperback, 1994.
  • Brownlow, Kevin,Mary Pickford Rediscovered: Rare Pictures of a Hollywood Legend. New York: Abrams, 1999.
Zie ook:
In Nederland is op het gebied van televisieprogramma’s over filmerfgoed te denken aan het programma De oude draaidoosvan Simon van Collem (vanaf 1959, Vpro en Tros), het programma Het filmvenster(Vara), de programma’s over slap-stick van Maarten van Rooijen (Vpro), het programma Cinema(Vpro) en de 5-delige NOS-serie Morgen gaat het beterover de Nederlandse film (programmamaker Cees van Ede won in 1986 hiermee een Gouden Kalf).
16. Grijzenhout, Frans (ed) Erfgoed. De geschiedenis van een begrip, Amsterdam: Amsterdam UP, 2007, p.4.
17. Enkele voorbeelden:
  • De dvd bij het project Exotic Europe, Journeys into Early Cinema(Mark-Paul Meyer/ Connie Betz, 2000) bijvoorbeeld bevat een collectie zeldzame vroege films, met een aantal visuele essays en een boekje. Dit materiaal biedt een toegankelijke herbeleving van de fascinatie voor beelden van verre oorden, vergelijkbaar met het project Cinéma Perduvan Peter Delpeut (televisieserie en tvgids-rubriek 1995, boekje en koopvideo 1997).
  • In het programma ‘Cinema Regained’ tijdens het International Film Festival Rotterdam 2007 presenteerde de Russische filmwetenschapper Nikolai Izvolov zijn project “Hyperkino, digital revival of early classics”: Hij wil het filmerfgoed beschikbaar stellen in wetenschappelijke digitale edities: een DVD voorzien van voetnoten. In de voetnoten kan tekst opgenomen worden, inclusief een printbare pdf-versie, maar ook foto’s, illustraties, filmfragmenten (zie verder hyperkino.net).
  • De discussie over de historisch-kritische edities van filmerfgoed op digitale media is nog pril. De ‘First International Trier Conference on Film and New Media’ (oktober 2002) kan gelden als mijlpaal. Zie: Loiperdinger, Martin, Celluloid Goes Digital: Historical-Critical Editions of Films on DVD and the Internet. Proceedings of the First International Trier Conference on Film and New Media, October 2002, Trier: Wissenschaftlicher Verlag, 2003.
18. Voorbeelden van filmgidsen in boekvorm:
  • De reeks monografieën van het British Film Institute (BFI-Film Classicsen BFI-Modern Classics) of van uitgeverij I.B. Tauris (KinoFiles Film Companions)
  • In Frankrijk de serie Synopsis – etudes critique(uitgeverij Nathan).
  • In Nederland is te wijzen op de reeks Zin in film (Katholieke Filmactie Nederland, URL: kfa-filmbeschouwing.nl).
19. Een voorbeeld van trend watching of samenhang signaleren vormt de creatie van een term als ‘film noir’ (jaren veertig en vijftig). In oorsprong is dit een journalistiek etiket dat gaandeweg een ingeburgerde term werd: in filmkritieken kan de term ‘film noir’ gebruikt worden zonder uitleg en het is ook een populair trefwoord op internet geworden, met vele gespecialiseerde sites.
Voor de bespreking van het etiket film noir zie onder andere:
  • Naremore, James, More Than Night. Film Noir in Its Contexts, Berkeley: University of California Press, 2008 (2nd ed).
  • Mee, Rob du, ‘Film noir, wat is dat eigenlijk?’, in: Beerekamp, Hans et.al. (eds.), Jaarboek Film 1984, Weesp: het Wereldvenster, 1984 pp. 21-30.
  • Visschedijk, Ruud, ‘Film noir: tracering van een genre’, in Versus nr 3 / 4, jrg 2, 1984 (Cinematheekreeks nr. 7), pp. 15-31.
Voor een recente introductie van film noir, zie onder andere:
  • Bould, Mark, Film Noir. From Berlin to Sin City, London: Wall Flower Press, 2005.
  • Cook, Pam & Mieke Bernink, ‘Film noir’, in: ibidem (eds.), The Cinema Book(2nded), London: BFI, 1999, pp. 184-191.
  • Silver, Alain & James Ursini et.al. (eds.) Film Noir, Keulen: Taschen, 2004.
Ter vergelijking: de meer recente term ‘nouvelle violence’ (jaren negentig) lijkt minder goed aan te slaan. En de term ‘Nieuw Hollywood’ lijkt vooral voor een spraakverwarring te zorgen.
20. Arnheim (1997, p. 105), zie noot 27.
21. Arnheim (1997, p. 110), zie noot 27.
22. Over Arnheim en Kracauer als filmcritici, zie o.a.
  • Putter, Jos de, ‘Theorievorming rond de filmkritiek’, in: P. Bosma (ed), Een inleiding. Nijmegen: Sun/Open universiteit, 1991, pp. 165-222.
Rudolf Arnheim (1904 – 2007) was filmcriticus van het satirische tijdschrift Das Stachelschwein(1925-1928) en van het weekblad Die Weltbühne(1928-1933). Zie verder: Diederichs, H.H. (red), ‘Rudolf Arnheim Forum‘, on-line: www.sozpaed.fh-dortmund.de/diederichs/arnheim.htm(geraadpleegd 14-1-2005).
  • Arnheim, Rudolf, ‘Professional Film Criticism’ (1929) & ‘The Film Critic of Tomorrow’ (1935), in: Arnheim, Film Essays and Criticism, Madison: University of Wisconsin Press, 1997, pp. 101-110. Vertaald door Brenda Benthien, oorspronkelijk: Rudolf Arnheim, Kritiken und Aufsätze zum Film, H.H. Diederichs (ed), München: Carl Hanser Verlag, 1977, pp. 167-176.
Siegfried Kracauer (1889-1966) schreef filmkritieken voor de Frankfurter Zeitungin de periode november 1924 tot augustus 1933.
  • Kracauer, Siegfried, ‘Über die Aufgabe des Filmkritikers’, in: K. Witte (ed), Siegfried Kracauer: Kino. Essays, Studien, Glossen zum Film. Frankfurt (Suhrkamp), 1974, pp. 9-11.
  • Kracauer, Siegfried, Kleine Schriften zum Film,Inka Muelder-Bach (ed), Frankfurt: Suhrkamp, 2004
  • Feindt, Hendrik Feindt, ‘Face à un deluge de films’, in: Cahiers du Cinema594 (Octobre 2004) pp. 80-81.
  • Kracauer, Siegfried, The Mass Ornament: Weimar Essays, Thomas Y. Levin (ed). Cambridge: Harvard UP, 1995.
  • Schlüpmann, Heide, ‘Phenomenology of Film: On Siegfried Kracauer’s Writings of the 1920s’ in: New German Critique, vol. 14, no. 40 (1987), pp …
  • Levin, Thomas Y., ‘The English-Language Reception of Kracauer’s Work: A Bibliography’, in: New German Critique, no. 54, Special Issue on Siegfried Kracauer (Autumn, 1991), pp. 183-189.
  • Kessler, Michael & Thomas Y. Levine (eds) Siegfried Kracauer. Neue Interpretationen, Tübingen, 1990.
  • Brodersen, Momme, Siegfried Kracauer, Reinbek: Rowohlt, 2001.
Voor onderzoek naar vroege Duitse filmkritiek, zie ook:
  • Diederichs, Helmut H. Anfänge deutscher Filmkritik, Stuttgart, 1986.
  • Hake, Sabine, The Cinema’s Third Machine: Writings on Film in Germany 1907-1933. Lincoln: University of Nebraska Press, 1993.
Een nader historisch onderzoek naar de intentieverklaring van filmcritici zou in elk geval de volgende teksten van Amerikaanse critici moeten bespreken: Manny Farber, ‘Underground films’ (1957), Pauline Kael ‘Trash, art and the movies’ (1969) en Jim Hoberman ‘The film critic of tomorrow, today’ (Village Voice, 1998). Deze teksten zijn opgenomen in: Lopate, Philip (ed), American Movie Critics: An Anthology From the Silents Till Now, The Library of America, 2006.
22b. Sontag, Susan, ‘Notes on Camp’, in: Sontag, Susan, Against Interpretation, New York: Delta, 1966, pp 275-292. Reprinted in: F. Cleto (ed.) Camp: Queer Aesthetics and the performing Subject: A Reader, Edinburgh: Edinburgh UP, 1999 pp. 53-65.
Zie ook:
  • Susan Sontag, Against Interpretation 1963, in: Against Interpretation and Other Essays, New York: Farrar, Strauss & Giroux, 1966, pp. 4-14.
  • Totaro, Donato, Susan Sontag: Against Interpretation?, in: Off Screen, 31 January 2005. URL: http://www.offscreen.com/index.php/phile/essays/against_interpretation/.
  • Rollyson, Carl, Reading Susan Sontag: A Critical Introduction to Her Work, Chicago: Ivan R. Dee, 2001.
  • Seligman, Craig,Sontag and Kael: Opposites Attract Me, Counterpoint, 2004.
23. Intenties van filmcritici: enkele interviews en forumdiscussies met Nederlandse filmcritici, genoteerd in chronologische volgorde:
  • ‘Nederlandse filmkritiek, Skoop enquête: negen vragen aan filmkritici’ (Pieter van Lierop, Ellen Waller, Jip Golsteijn, Harry Hosman, Piet Ruivenkamp, B.J.Bertina, Tjitte de Vries, Rob du Mee, Constant Wallagh), in: Skoop jrg 12, no 2 (feb 1976) pp. 10-23.
  • Proper, R. ‘Filmkritiek 1. Hans Beerekamp (NRC-Handelsblad). De encyclopedist.’ In: Vrij Nederland, 12-7-1980.
  • Proper, R. ‘Filmkritiek 2. Peter van Bueren (de Volkskrant). Het enfant terrible. In: Vrij Nederland, 19-7-1980.
  • Proper, R. ‘Filmkritiek 3. Henk ter Berge (Telegraaf). De journalist.’ in: Vrij Nederland, 26-7-1980.
  • Proper, R. ‘Filmkritiek 4. Charles Boost. De historicus.’ in: Vrij Nederland2-8-1980.
  • Proper, R. ‘Filmkritiek 5. Maarten van Rooijen (Het Parool). De freelancer. In: Vrij Nederland, 9-8-1980.
  • Proper, R. ‘Filmkritiek 6. Willy Wielek-Berg (Trouw). De schrijfster’ in: Vrij Nederland, 16-8-1980.
  • Kuyper, E. de ‘Filmkritiek: voor kijkers en recensenten’, in: Skrien 99 (september 1980) pp. 114-119.
  • Burg, Jos van der ‘Filmkritiek. De luiheid woekert voort. Interview met Jan Blokker, in: de Filmkrant 192 (september 1998). URL: filmkrant.nl.
  • Ekker, Jan Pieter, ‘Filmkritiek. Critici moeten zich niet arrogant opstellen. Interview met Piet Ruivenkamp’, in: de Filmkrant 193 (oktober 1998). URL: filmkrant.nl.
  • Ekker, Jan Pieter, ‘Filmkritiek. Ik ga nog liever dood dan dat ik een film maak. Interview met Willy Wielek‘, in: de Filmkrant 194 (november 1998). URL: filmkrant.nl.
  • Burg, Jos van der ‘Filmkritiek. Ik mis de voedingsbodem voor debat. Interview met Reg ten Zijthoff‘, in: de Filmkrant 195 (december 1998). URL: filmkrant.nl.
  • Stienen, François ‘Filmkritiek. Het paard achter de wagen. Interview met Wim Verstappen‘, in: de Filmkrant 196 (januari 1999). URL: filmkrant.nl.
  • Burg, Jos van der ‘Filmkritiek. De laatste der Mohicanen.Interview met Peter van Bueren‘, in: de Filmkrant 197 (februari 1999). URL: filmkrant.nl.
  • Burg, Jos van der ‘Filmkritiek. De slappe knieën van de filmcritici. Interview met Hans Beerekamp‘, in: de Filmkrant 198 (maart 1999). URL: filmkrant.nl.
  • Bernink, Mieke & Patrick Minks & Jos de Putter, ‘Recensies zijn de koninklijke kopij. Nederlandse filmcritici in gesprek (Pieter van Lierop, Hans Beerekamp, Huib Stam, Mark Duursma), Skrien 202 (juni/juli 1995) pp 50-53.
  • Verhaagen, Annelotte & André Waardenburg, ‘Rondetafelgesprek met jonge filmcritici. Zelfs de meest middelmatige film moet je serieus nemen’, in: Skrien 32/ nr. 6 (juli/augustus 2000) pp. 28-31.
  • Knegtmans, Hans ‘Critici zijn net mensen. Onderzoek onder Nederlandse recensenten’ in: Skrien, (oktober 2000) pp. 32-33.
  • Waardenburg, André, ‘Subjectiviteit zonder kritisch vermogen’, Skrien jrg 33 nr 4 (mei 2001) pp. 34-35.
  • Koops, Wendy, ‘Filmcritici in de praktijk. Filmmakers zijn betere recensenten’, in: Skrien jrg 33 nr 9, november 2001, pp. 26-28.
  • Mees, Jaap, ‘Ik ben echt net voor de bui binnen’. Pieter van Lierop stopt als filmjournalist’, in: Skrien jrg 39, nr 9/10 (november 2007/januari 2008) pp. 38-41.
Voorbeelden van internationale forumdiscussies:
  • Simons, Jan, ‘Filmkritiek. Verslag forumdiscussie op Film International Festival 1984, met François Albéra, Gideon Bachmann, Paul Willemen’, in: Skrien 132-133 (winter 1983-1984) pp. 40-43.
  • Tee, Ernie, ‘Filmkritiek vandaag. De verdwijning van de wereld’, in: Skrien 228 (november 1998) pp. 72-78 (commentaren van Nick James, Sight & Sound; Bion Steinborn, Filmfaust; Serge Toubiana, Cahiers du Cinéma).
  • ‘International Film Criticism Today: A Critical Symposium’, Cinéaste, jrg 31, nr 1 (winter 2005), pp. 30-44.
  • ‘Film Criticism in the Age of the Internet. A Critical Symposium’, Cinéaste, jrg 33, nr 4 (fall 2008), pp. 30-46.
  • Sight and Sound, october 2008, themanummer “Who Needs Critics”.
24. Enkele voorbeelden van meta-kritiek in Nederland
  • Beerekamp, Hans, ‘Pulp Friction. De verbeelding en de macht, gastlezing over filmkritiek Rijksuniversiteit Groningen’, in: NRC/Handelsblad, 26 maart 1999. URL: nrc.nl/W2/Nieuws/1999/03/26/Vp/cs.html.
  • Hendriks, Annemieke “Mene Tekel: Seks en leugens’ in: Skrien jrg 33, nr 1 (februari 2001), p.14. [een vergelijking van Nederlandse filmkritieken over LIES van Jang Sun-Woo, het is de eerste aflevering van de reeks]
Vlaanderen
  • Mathijs, E., Filmkritiek (1): De staat van de filmkritiek vandaag. Cinemagie, 2000, nr. 229, p. 12.
  • Mathijs, E., Filmkritiek (2): Van Gorki tot Camera. Cinemagie, 2000, nr. 230, p. 51.
  • Mathijs, E., Filmkritiek (3): Van Grierson tot Bazin. Cinemagie, 2000, nr. 231, p. 37.
  • WATERSCHOOT, M., Is de Vlaamse filmcriticus vooral journalist? Cinemagie, 1999, vol. 53, nr. 229, p. 19.
Internationale publicaties over het verschijnsel filmkritiek
  • Bordwell, David, Making Meaning. Inference and Rhetoric in the Interpretation of Cinema, Cambridge; Harvard UP, 1989.
  • McDonald, R. The Death of the Critic, London: Continuum, 2007.
  • Clayton, A & A. Klevan (eds), Language and Style of Film Criticism, Oxon/New York: Routledge, 2011.
25. De KNF organiseerde drie seminars:
1) Nederlandse filmdagen 1986 “Oorlog, collaboratie en verzet in de Nederlandse film”.
2) Internationaal Filmfestival Rotterdam 1999 “Facing Godzilla”, over de filmkritiek op internet, met als gastspreker o.a. Harry Knowles. Zie onder andere: Linssen, Dana ‘ Filmkritiek. Over nut, nadeel en noodzaak van filmkritiek voor het leven’, in: de Filmkrant 197 (februari 1999), URL: www.filmkrant.nl.
3) Internationaal Filmfestival Rotterdam 2001 “Culture Shocks: Pitfalls and Challenges for the exploring film critic”, een workshop interculturele filmkritiek. Voor documentatie van dit KNF-seminar zie onder andere:
  • Bankersen, Leo & Romy van Krieken en André Waardenburg (red.) Culture Shocks. Pitfalls and challenges for the exploring film cr Contributions to a seminar on intercultural film criticism Rotterdam, january 31st2001, Amsterdam: KNF, 2001.
  • Hendriks, Annemieke, ‘Filmkritiek – Culture Shocks. Vind ik’, in: de Filmkrant 219 (februari 2001). URL: http://www.filmkrant.nl/av/org/filmkran/archief/fk219/filmkrit.html
  • Linssen, Dana, ‘Filmkritiek – Culture Shocks. Pas de deux met drie Chinezen’, in: de Filmkrant 220 (maart 2001) pp 22-23. URL: http://www.filmkrant.nl/av/org/filmkran/archief/fk220/filmkrit.html
  • Waardenburg, André, ‘Culture Shocks. Valkuilen voor de filmkritiek’ in: Beerekamp, Hans e.a. (red.) Filmjaarboek 2000. Amsterdam: uitgeverij International Theatre & Film Books, 2000, pp. 23-25.
26. Zie o.a. Tiger Topics# 16 13 October 2007, www.filmfestivalrotterdam.com
27. Gemser, Gerda & Martine Oostrum & Mark Leenders, 2007, “The impact of film reviews on the box office performance of art house versus mainstream motion pictures,” Journal of Cultural Economics, Springer, vol. 31, no 1 (March 2007), pp. 43-63.
Overige onderzoeken naar de invloed van filmkritieken op filmbezoek bij premièrefilms (in chronologische volgorde):
  • Boatwright, Peter & Suman Baseroy & Wagner Kamakura, ‘Reviewing the reviewers: the impact of individual film critics on box office performance’, in: Quantitative Marketing and Economics 5 (2007), pp 401-425
  • King, Timothy, ‘does film criticism affect box office earnings? Evidence from movies released in the U.S. in 2003’, in: Journal of Cultural Economics, vol 31, nr 3 (september 2007) pp 171-186.
  • Basuroy, Suman, Subimal Chatterjee, S. Abraham Ravid, ‘How Critical Are Critical Reviews? The Box Office Effects of Film Critics, Star Power, and Budgets’, in: Journal of Marketing, jrg 67, nr 4 (October 2003), pp. 103-117.
  • Baumann, Shyon, ‘Marketing, Cultural Hierarchy, and the Relevance of Critics: Film in the United States, 1935–1980’, in: Poetics, jrg 30, nr 4 (2002), pp. 243–262.
  • Baumann, Shyon, ‘Intellectualization and Art World Development: Film in the United States, in: American Sociological Reviewjrg 66 (June 2001) pp 404-426.
  • D’Astous, Alain & Francois Colbert, ‘Moviegoers’ Consultation of Critical Reviews: Psychological Antecedents and Consequences’, in: International Journal of Arts Management, jrg 5, nr 1 (Fall 2002) pp. 24-35
  • Eliashberg, J. & S.M. Shugan, ‘Film Critics: Influencers or Predictors?’, in: Journal of Marketing jrg 61, nr 1 (april 1997), pp. 68-78.
  • Wyatt, Robert O. and David P. Badger, ‘How Reviews Affect Interest in and Evaluation of Films’, in: Journalism Quarterly, jrg 61 (april 1997), pp. 874-878.
  • Wyatt, Robert O. and David P. Badger, ‘Effects of Information and Evaluation in Film Criticism’, in: Journalism Quarterly jrg 67 (1990), pp. 359-368.
Nederlandse filmtijdschriften
  • Critisch Filmforum1965-1968 (gefuseerd met Skoop)
  • Skoop
  • Skrien
  • Filmfan(1972-1975 & 1978-1982, als bijlage bij het weekblad de Haagse Post),
  • Versus(1982 – 1992)
  • Blotto
  • Schokkend Nieuws
  • TMG, tijdschrift voor Media Geschiedenis (de Vereniging Geschiedenis, Beeld en Geluid publiceerde van tot 1998 het GBG-Nieuws, De stichting Mediageschiedenis bracht acht jaar lang het Jaarboek Mediageschiedenisuit, van 1989 tot 1997. De twee publicatiereeksen werden vanaf 1998 gebundeld in TMG)
Enkele Nederlandstalige filmessays in boekvorm:
  • Jeensma, Jelle (red.) Een maan van Saturnus. De film te midden van de kunsten,Baarn: Anthos, 1989.
  • Otten, Willem Jan, Het museum van licht. Essays over film. Amsterdam: uitgeverij G.A. van Oorschot, 1991.
  • Dantzig, A. van, Films: voor gezien getekend. Amsterdam/Meppel, 1993.
  • Dantzig, A. van, Films 2: Psychologische beschouwingen. Amsterdam/Meppel: Boom, 1996
  • Delpeut, Peter, Cinéma Perdu(1997, videotape + book).
  • Haakman, Anton, Achter de spiegel. Film en fictie. Amsterdam: De Bezige Bij, 1977.
  • Lauwaert, Dirk, Dromen van een expeditie: Geschriften over film 1971-2001, Nijmegen: Vantilt, 2006.
  • Meskens, Ann, De passie van Ann Meskens: Tati, Rotterdam: Lemniscaat, 2005.
  • Meskens, Ann, Jacques Tati: een kwestie van kijken, Rotterdam: Lemniscaat, 2010.
  • Drijver, Ruud den (red.) Wim Verstappen – Analyses op de montagetafel.Amsterdam: Scorpio Press, 2016.
  • Verhoeven, Paul & Rob van Scheers, Volgens Verhoeven: Op stap door de filmgeschiedenis met Paul Verhoeven. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012.
  • Verhoeven, Paul & Rob van Scheers, Meer Verhoeven: Op stap door de filmgeschiedenis met Paul Verhoeven. Amsterdam: De Bezige Bij, 2014.
Enkele voorbeelden van tijdschriften voor filmhistorici, in chronologische volgorde:
  • Griffithiana, Journal of Film History(een uitgave van La Cineteca del Friuli, Gemona, festival van Pordenone, vanaf 1978).
  • 1895, Revue de l’Association Française de Recherche sur l’Histoire du Cinéma(een uitgave van de AFRHC, Parijs, vanaf 1986).
  • Film History(een uitgave van John Libbey Publishing, vanaf 1987).
  • Cinegrafie(een uitgave van Cineteca di Bologna, vanaf 1989)
  • Jahrbuch zur Erforschung des frühen Films(een uitgave van Stroemfeld Verlag, sinds 1992)
  • TMG, tijdschrift voor Media Geschiedenis(sinds 1998, uitgave van Boom, in samenwerking met de Vereniging Geschiedenis, Beeld en Geluid. Voorlopers: het GBG-Nieuws en het Jaarboek Mediageschiedenis).
  • Cinema & Cie(vanaf 2001)
Enkele voorbeelden van vakbladen voor filmarchivarissen, in chronologische volgorde:
  • Journal of Film Preservation(een uitgave van de FIAF, Brussel, vanaf 1993; daarvoor gepubliceerd als FIAF-Bulletin, 1972-1993).
  • Les Cahiers de la Cinémathèque. Revue d’Histoire du Cinéma (een uitgave van het Institut Jean Vigo, Montpellier, vanaf 1971).
  • Archives(een uitgave van het Institut Jean Vigo, Montpellier, vanaf 1985)
  • Restaurations de la Cinemathèque Française(vanaf 1986).
  • Cinémathèque. Revue Semestrielle et Bilingue de l’Histoire du Cinéma et de la Restauration (uitgave van Cinémathèque Française, Parijs, vanaf 1992).
  • Filmblatt(uitgave van Cinegraph Babelsberg, Berlijn, vanaf 1996).
  • The Moving Image. The Journal of the Association of Moving Image Archivists (een uitgave van de AMIA & University of Minnesota Press, vanaf 2001).
Enkele bundels van filmkritiek.:
  • Abel, R. (red.) French Film Theory and Criticism. A History/ Anthology (1907-1929). Princeton: Princeton UP, 1988.
  • Beusekom, Ansje van.Film als kunst. Reacties op een nieuw medium in Nederland, 1895-1940(Amsterdam: Vrije Universiteit, 1998).
  • Denby, David, Awake in the Dark. An anthology of American Film Criticism, from 1915 to the present, New York: Vintage Books, 1977.
  • Diederichs, Helmut H. Anfänge Deutscher Filmkritik, Stuttgart: Robert Fischer + Uwe Wiedleroithen, 1986.
  • Donald, James & Anne Friedberg & Laura Marcus (red), Close Up 1927-1933. Cinema and Modernism, London: Cassell, 1998.
  • Hake, Sabine, The Cinema’s Third Machine. Writings on Film in Germany 1907-1933, Lincoln: University of Nebraska Press, 1993.
  • Kauffmann, S. & B. Henstell (red.) American Film Criticism. From the Beginnings to Citizen Kane. New York: Liveright, 1972.
  • Linssen, Céline & Hans Schoots & Tom Gunning, Het gaat om de film! Een nieuwe geschiedenis van de Nederlandsche Filmliga 1927-1933. Amsterdam: Bas Lubberhuizen/Filmmuseum, 1999.
  • Lounsburry, M.O., The Origins of American Film Criticism 1909-1939. New York: Arno, 1973.
  • Marcus, Laura, The Tenth Muse. Writing about Cinema in the Modernist Period, Oxford: Oxford UP, 2007.
Audiovisuele essays
Frames Cinema Journal, issue 1 (2012), guest curated by Catherina Grant