De eerste filmcollecties in Nederland


De fundamenten voor de Audio Visuele Collectie Nederland

Elk beschaafd land dient te beschikken over een filmarchief waar het filmerfgoed zorgvuldig geconserveerd wordt. Hoe begon het in Nederland? Hiervoor moeten we terug naar het jaar 1919.

Vereeniging Nederlandsch Centraal Filmarchief (NCF)
De Vereeniging Nederlandsch Centraal Filmarchief (NCF) werd in 1919 opgericht als particulier initiatief van drie heren: H.E. van Gelder, D.S. van Zuiden en de rijksarchivaris prof. mr.R. Fruin. De doelstelling van deze Vereniging was het bewaren en ook vervaardigen van “historisch belangrijke opnamen”. Filmmaker Willy Mullens stelde zijn films ter beschikking aan het NCF, hij streefde naar een monopoliepositie als leverancier.
Het bestuur besloot het NCF in 1933 op te heffen, wegens gebrek aan belangstelling bij de filmproducenten en wegens geldgebrek. De filmcollectie van het NCF werd overgenomen door de rijksoverheid, de naam werd veranderd in het Rijks Historisch Filmarchief. Dit was een onderdeel van het Algemeen Rijksarchief. Financiële ondersteuning kwam van de Vereniging van Vrienden van het Rijks Historisch Filmarchief.
 
Voor een aanvulling, zie verder:

Achtergrondinformatie:
 
Het ontstaan van het Filmmuseum
Op 22 juli 1946 werd het Nederlandsch Historisch Film Archief (NHFA) opgericht door Paul Kijzer en Piet Meerburg, zij vormden op dat moment de directie van het filmtheater Kriterion. Jan de Vaal (1923-2001) werd aangesteld als secretaris van het NHFA. Twee jaar later werd hij benoemd tot directeur.
Aanvankelijk was het NHFA gevestigd op de P.C. Hooftstraat, daarna in een bezemkast van bioscoop Kriterion.
Het Nederlandsch Historisch Film Archief werd in 1947 formeel erkend als volwaardig nationaal filmarchief door de FIAF. Er is dus sprake van een opmerkelijk vroege aansluiting bij de FIAF, een duidelijk signaal van een vroege internationale erkenning. Dit was het resultaat van handig netwerken, maar ook van goed archiveringswerk en een actief acquisitiebeleid.
 
De erfenis van de distributeur Centraal Bureau voor Ligafilms lag opgeborgen in het Uitkijk Archief, formeel opgericht in 1949. Drie jaar later, in 1952, kwam een fusie tot stand tussen het NHFA en het Uitkijk Archief. De samengevoegde filmarchieven gingen verder onder de naam van Stichting Nederlands Filmmuseum, met De Vaal als directeur.
De filmvertoningen van het Nederlands Filmmuseum vonden vanaf 1952 ruim twintig jaar lang plaats in de aula van het Stedelijk Museum.
 
In 1948 werd het eerste subsidiebedrag ontvangen van het ministerie van OK&W, een bedrag van 8.000 gulden. Vanaf 1954 kreeg het Nederlands Filmmuseum ook een kleine subsidie van de gemeente Amsterdam. In 1956 verstrekte het Ministerie van Onderwijs, Kunst en Wetenschappen de eerste incidentele subsidie voor het conserveren van films (40.000 gulden).
De jaarverslagen van het Filmmuseum in de jaren vijftig en zestig kentekenen zich door zorgen over geldgebrek. De directeur en een kleine staf streden een lange strijd voor erkenning en leverde verdienstelijke pioniersarbeid.
 
Zie verder:
 
Het Filmmuseum ontfermde zich over diverse vooroorlogse filmcollecties, zoals:
  1. Distributeur Jean Desmet: ‘de Desmet collectie’
  2. Distributeur Centraal Bureau voor Liga-films: ‘de Uitkijk collectie’
  3. Ministerie van Koloniën: ‘de Nederlands Indië collectie’
  4. Filmfabriek Hollandia
  5. Diverse particuliere verzamelaars
 
1. voor meer informatie over de Desmet collectie zie:
 
2. voor meer informatie over de Uitkijk collectie, zie:

Films in deze collectie zijn onder andere:

3. voor meer informatie over de Nederlands Indië collectie, zie:

4. Voor meer informatie over de collectie Filmfabriek Hollandia, zie:

Distributiecollecties
Het archief van EYE Film Instituut Nederland bevat vele deelcollecties die afkomstig zijn van distributiemaatschappijen. Naast de ‘Desmet collectie’ en ‘de Uitkijk collectie’ zijn nog te vermelden:

Reflectie op Nederlandse filmcollecties

Internationaal perspectief op filmmusea
Cherchi Usai (2000) en Houston (1994) geven een inleidend overzicht van filmarchieven en de eerste generatie archivarissen. Koplopers waren het Museum of Modern Art in New York (1935), het National Film Archive in London (1935), de Cinémathèque Francaise in Parijs (1936), het Koninklijk Filmarchief in Brussel (1938) en het Nederlands Filmmuseum in Amsterdam (1946).