Welke beelden voor welke toekomst?


Actuele dilemma’s in het Nederlands rijksoverheidsbeleid rondom filmerfgoed
 
Gastlezing van Peter Bosma
tijdens het HKU studieseminar ‘Op afstand van de overheid, of de overheid op afstand’
TErugblik: hnder leiding van Hans van Dulken.
donderdag 12 januari 2012
(circa 4.300 woorden)

 

Het kunstbeleid staat momenteel meer dan ooit onder hoge druk van bezuinigingen door het Rijk en de meeste gemeenten.
Dit weerspiegelt zich onder andere in de treffende thema’s van het tijdschrift Boekman, het meest recent: “Kunst op een keerpunt” (nr 89, december 2011) en eerder: “Draagvlak voor kunst” (nr. 87, juni 2011). Daarnaast werden de laatste twee jaar tal van symposia en creatieve initiatieven georganiseerd, zoals de Paradiso debatten aan het begin van het culturele seizoen (editie 2011: ‘Stad versus staat, tegenhangen of meebuigen?’), of de website ‘Kunst op Koers’ (zie http://koerskunst.nl), of het symposium ‘Creative Financing of the Arts’ bij de Erasmus Universiteit Rotterdam, dat resulteerde in de bundel ‘Pak Aan’ (redactie: Arjo Klamer & Cees Langeveld, zie http://www.pak-aan.nu ).
 
Vanuit het perspectief van film zijn op de peildatum van 12 januari 2012 een aantal schrijnende gevallen aan te wijzen, onder andere:
  1. De aanstaande opheffing van het Rotterdam Media Fonds. Dit is bizar, want het is een economisch investeringsfonds, dat geld oplevert.
  2. De aanstaande opheffing van de werkplaatsen van het Nederlands Instituut voor Animatiefilm (NIAf) en het Binger Filmlab. Dit is schandalig, want de ondersteuning van nieuw artistiek talent, met stipendia en scholing, wordt hierdoor afgekapt.
  3. Opheffing van de structurele subsidies van het Holland Animation Film Festival en het Cinekid Film Festival. Twee festivals met een grote staat van dienst worden teruggezet op de positie van starters. Waarom?
  4. Het voortijdig bijstellen van het filmerfgoed-project ‘Beelden voor de toekomst’. Over dit onderwerp zo dadelijk meer.
 
Ik teken protest aan tegen deze vorm van kunstbeleid, die lijkt te zijn voortgekomen uit louter vernielzucht.
Deze gastlezing kan gezien worden als een voorbereiding op een mogelijk debat met mijn tegenstanders: iedereen die deze brute kaalslag onverschillig laat. De verpersoonlijking van dit type mens is de huidige staatssecretaris van cultuur, Halbe Zijlstra, die schijnbaar totaal emotieloos de bezuiniging in de kunstsector uitvoert. Vandaag gaan we niet demoniseren, want dit landelijk cultuurbeleid wordt uitgevoerd zonder doorslaggevend verzet vanuit de Tweede Kamer en de Eerste Kamer.
 
Ik ga vandaag ook niet relativeren, want dat is de te gemakkelijke uitvlucht. Natuurlijk is het waar dat bijvoorbeeld natuurbeheer en de gezondheidszorg ook heel heftig gekort worden, met heel heftige gevolgen. Deze schrijnende kwesties laat ik hier buiten beschouwing. En natuurlijk is het waar dat er mooi initiatieven ontstaan, nu de culturele sector gedwongen is zich te verdedigen. Maar een ongemotiveerd pak slaag kan nooit een goede stimulans zijn.
 
Mijn betoog ziet er in grote lijnen als volgt uit:
  • Brainstorm: Wat is, vanuit internationaal perspectief gezien, uitzonderlijk in de Nederlandse filmcultuur?
  • Filmerfgoed bevindt zich op een schemergebied tussen drie beleidsterreinen: ten eerste het filmbeleid (filmvertoning en filmdistributie) en het mediabeleid (de publieke omroep), ten tweede het museumbeleid (vaste collecties en tijdelijke exposities) en ten derde het beleid op het vlak van cultureel erfgoed (archieven & bibliotheken).
  • Het overheidsbeleid rondom filmerfgoed wordt geconfronteerd met een basisprobleem: de spagaat van het kunstbeleid.
  • Het erfgoedproject ‘Beelden voor de toekomst’ is een sectoroverschrijvende samenwerkingsverband tussen zes nationale instellingen. ‘Beelden voor de toekomst’ betekent een grote stap vooruit op het gebied van conserveren en ontsluiten van audiovisueel erfgoed, maar het project heeft een open einde.
  • Welke urgentie heeft het behoud van filmerfgoed?
  • Het weerwoord tegen afschaf van kunstsubsidies bevat ruwweg vier mogelijke argumenten.
  • We moeten niet meer met argumenten komen, we moeten de beleidsmakers en bewindslieden de maat nemen. De beleidswetenschap heeft hiervoor een goede meetlat ontwikkeld.
  • Positieve en strijdbare afsluiting: welke beleidsmaker is opgewassen tegen de combinatie van kritische vragen en constructieve analyses?
 
Ik start met een brainstorm: wat is, vanuit internationaal perspectief gezien, uitzonderlijk in de Nederlandse filmcultuur?
 
Een eerste antwoord vinden we op de UNESCO Werelderfgoedlijst (World Heritage List, ingesteld in 1972).
De selectiecommissie kwam in 2011 voor de 35e keer bij elkaar. De Nederlandse items in de categorie monumenten zijn onder andere het Rietveld Schröderhuis (in 2000 toegevoegd) en de Amsterdamse grachtengordel (in 2010 toegevoegd). Zie verder http://www.werelderfgoed.nl/nl.php.
Helaas, nog geen monumentale bioscopen, zoals bijvoorbeeld Tuschinski in Amsterdam. Zie mijn website: http://www.peterbosma.info/?p=uitgelicht&uitgelicht=40
 
Een tweede antwoord vinden we op de UNESCO Memory of the World Register, een lijst van uitzonderlijk documentair erfgoed, ingesteld in 1992.
Op deze lijst vinden we onder andere de archieven van de VOC en de dagboeken van Anne Frank. En aha! Sinds 2011 is ook de Desmet collectie opgenomen in deze erelijst! Een mooi triomf moment!
Zie: http://www.unesco.nl/themas/archief-thema-in-de-kijker/nederlands-erfgoed-toegevoegd-aan-memory-of-the-world-register. Voor meer informatie over de Desmet collectie zie http://www.eyefilm.nl/desmet. En natuurlijk het onderzoek van filmhistoricus Ivo Blom, in boekvorm verschenen bij de Amsterdam University Press, zie http://www.aup.nl/do.php?a=show_visitor_book&isbn=9789053565704 en http://ivoblom.wordpress.com/2011/10/23/blogroll-desmet. Een inventarisatie van het papieren archief van de Desmet collectie is te vinden op: http://filmdingen.files.wordpress.com/2011/10/144-jean-desmet-zonder-inleiding.pdf .
 
Ter zijde: in 2005 introduceerde UNESCO de jaarlijkse viering van de ‘Wereld audiovisueel erfgoeddag’ op 27 oktober.In Nederland doet EYE Film Instituut Nederland vanaf 2009 mee aan de viering van de UNESCO Audiovisueel Erfgoeddag. Zie mijn website: http://www.peterbosma.info/?p=uitgelicht&uitgelicht=48 .
 
De internationale ‘ranking’ van ons filmerfgoed is op de UNESCO schaal dus bescheiden te noemen.
De internationale erkenning en waardering voor bijvoorbeeld het Nederlands Filmmuseum is echter groot, zoals blijkt uit onder andere de toekenning van de Jean Mitry Award (1991), de Sphinx Cultuurprijs (1998), de Prix Henri Langlois (2008) en de Vuurslag Prijs (2009)  en de twee FOCAL International Awards in 2012, voor Best Archival Project (Desmet Collectie) en beste Found Footage Short Film (Liquidator, van Karel Doing). Daarnaast heeft de afdeling ‘Archival Loans’ in de afgelopen decennia een zeer goed track record opgebouwd.
 
Een derde aanknopingspunt: de opbloei van internationale filmerfgoed-festivals.
Deze vormen een graadmeter voor de groeiende internationale institutionalisering van het beheer en behoud van het filmerfgoed: ze dienen als etalage van conserveringen en zijn een platform voor internationaal netwerken en uitbouw van publieksbereik.
Sinds 1981 bestaat het festival ‘Giornate del Cinema Muto’ in Pordenone, vijf jaar later werd het festival “Il Cinema Ritrovato” in Bologna gestart. In de jaren negentig ontstonden meer filmerfgoed-festivals, onder andere in Parijs (Cinémémoire, sinds 1991) en in Nottingham (British Silent Cinema Festival, sinds 1998). In Amerika is te wijzen op onder andere het San Francisco Silent Film Festival (sinds 1996) en vanaf 2002 organiseert het Museum of Modern Art in New York ‘To Save and Project. The MoMA International Festival of Film Preservation’. Het Filmmuseum in Amsterdam startte in 2003 een reeks van Biënnales.
 
Een vierde aanknopingspunt: internationale voorbeelden van ‘good practice’ - inspirerende pleidooien voor het behoud van het filmerfgoed, zoals de Film Foundation & World Cinema Foundation.
Filmregisseur Martin Scorsese kreeg belangstelling voor conservering in de jaren zeventig, toen hij de oorspronkelijke versie van onder andere ONCE UPON A TIME IN THE WEST (Sergio Leone, 1968) en IL GATTOPARDO (Luchino Visconti, 1963) wilde zien, maar er waren destijds geen goede kopieën beschikbaar. In 1990 nam Martin Scorsese het initiatief tot de oprichting van de Film Foundation: Film Makers for Film Preservation, met hulp van onder andere Woody Allen, Stanley Kubrick, Sydney Pollack, Robert Redford Francis Coppola, George Lucas en Steven Spielberg.
Tijdens het festival van Cannes 2007 kondigde Scorsese de oprichting aan van de ‘World Cinema Foundation’ en presenteerde meteen drie restauraties. Sindsdien is er elk jaar een nieuw oogst van restauraties van ‘verwaarloosde films’.
Zie www.film-foundation.org en  http://worldcinemafoundation.net/.
Martin Scorsese is een internationale autoriteit, niet alleen als excellente filmregisseur, maar ook als verdediger van het filmerfgoed. Kijk naar zijn twee projecten waarin hij als filmliefhebber en vakman zijn bewondering uitspreekt voor oude films: A PERSONAL JOURNEY THROUGH AMERICAN MOVIES (1995) en IL MIO VIAGGIO IN ITALIA (1999). Zie mijn website: www.peterbosma.info/?p=uitgelicht&uitgelicht=39.

Ook filmarchieven en filmwetenschappers geven goede voorbeelden van presentatie van het filmerfgoed, denk aan onder andere
 
Het internationale perspectief is fascinerend, maar levert nog weinig concreet resultaat. Laten we kijken wat het nationale perspectief oplevert, met als insteek de inventarisatie van het overheidsbeleid.

Het eerste probleem dat we kunnen signaleren is het feit dat in Nederland het filmerfgoed moeilijk in een beleidshokje is te duwen.
Filmerfgoed bevindt zich binnen het Ministerie van OC&W op een schemergebied tussen drie beleidsterreinen: ten eerste het filmbeleid (filmvertoning en filmdistributie) en mediabeleid (publieke omroep), ten tweede het museumbeleid (vaste collecties en tijdelijke exposities) en ten derde het beleid op het vlak van cultureel erfgoed (archieven & bibliotheken). 
En dan laten we nog buiten beschouwing dat filmerfgoed zich ook op het beleidsterrein van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bevindt.
 
EYE Film Instituut Nederland beheert samen met het Instituut voor Beeld en Geluid de ‘Audiovisuele Collectie Nederland’, die een zo compleet mogelijk overzicht biedt van de Nederlandse filmgeschiedenis en filmcultuur. EYE Film Instituut Nederland wordt tot nog toe gerangschikt onder het filmbeleid, directie Kunsten. Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid wordt daarentegen tot nog toe gerangschikt onder het mediabeleid, directie Media, Letteren en Bibliotheken. Ook in de organisatiestructuur van de Raad voor de Kunst is deze tweedeling zichtbaar. Deze bestuurlijke verdeling is een symptoom voor de tweedeling in het institutionele landschap van het filmerfgoed in Nederland: de filmwereld versus de mediawereld.
Bij de presentatie van zwijgende films is overigens sprake van nog een overlap tussen twee andere beleidssectoren: filmkunst en muziekkunst. Dit veroorzaakt een specifiek probleem: Er is tot nog toe geen stimulering of ondersteuning (in de vorm van bijvoorbeeld startstipendia en structurele opleidingen) voor uitvoerende musici die zwijgende films begeleiden.
 
Terugblik: De voorloper van EYE, het Nederlands Filmmuseum, profileerde zich pas relatief recent als een museum voor eigentijdse en historische filmkunst. In het beleidsplan ‘Collectie, kennis en publiek. Beleidsplan 2005-2008’ (de aanvraag voor de Cultuurnota 2005-2008) benadrukte het Filmmuseum de museale profilering, met als kernpunten de collectie en de presentatie hiervan.
In 2007 kreeg het Filmmuseum de status van rijksmuseum, dit werd zichtbaar gemaakt in een overeenkomst waarbij de rijksoverheid de verantwoordelijkheid voor de filmcollectie op zich neemt, dat wil zeggen: de overheid stelt zich garant met een financiële waarborg van het budget. Dit was alleen al noodzakelijk vanwege het huurcontract van de nieuwbouw: de projectontwikkelaar verlangde een garantie van minimaal tien jaar. Tot dan toe was er geen structurele subsidie voor het beheer en behoud van de collectie, want de financiering hiervan was onderdeel van de aanvragen in het kader van de cultuurnota’s. Formeel bestond er dus geen financiële zekerheid buiten de termijn van steeds vier jaar.
Het is voor het eerst dat zo’n overeenkomst met een onafhankelijke stichting wordt gesloten. De collectie van het Filmmuseum is de eerste audiovisuele collectie in Nederland die deze status verwerft. Voor directeur Rien Hagen, die 1 september met pensioen gaat, is dit de kroon op zijn werk. “Het betekent dat de collectie door de overheid dermate waardevol wordt beschouwd dat het beheren, vertonen en ontsluiten ervan voor langere tijd verzekerd is. De overeenkomst maakt deel uit van afspraken over de nieuwe huisvesting van het museum aan de IJ-oever in Amsterdam-Noord”.
Bron: NRC/Handelsblad 30-8-2007.
 
Het tweede probleem is dat het overheidsbeleid rondom filmerfgoed wordt geconfronteerd met een algemeen basisdilemma: de spagaat van het kunstbeleid.
Winsemius (1999) constateert een tegenstrijdigheid in het kunstbeleid van de Nederlandse overheid: Aan de ene kant subsidieert de overheid instellingen en kunstenaars (met als criterium de kwaliteit van de kunst), aan de andere kant wil de overheid de vrijheid van kunst en kunstenaars garanderen. Het inhoudelijk kwaliteitsoordeel over kunst wordt daarom uitbesteed aan adviesorganen en overheidsfondsen. Winsemius (1999) constateert dat de overheid op een fundamentele manier een spagaat maakt bij het kunstbeleid:
Enerzijds streeft de overheid naar afstand ten opzichte van de kunsten, anderzijds voert zij een kunstbeleid waarin keuzes gemaakt worden. De spanning tussen deze twee strevingen hangt samen met de verschillende waarden die ten grondslag liggen aan het beleid. Het Nederlandse kunst- en cultuurbeleid is niet alleen gericht op de bescherming van de vrijheid van de kunst. Andere waarden, zoals pluriformiteit, gelijkheid en ontplooiing, liggen in het verlengde van het vrijheidsbeginsel. […]
Op grond van het vrijheidsbeginsel kan de overheid een neutrale positie innemen en volstaan met het scheppen van voorwaarden waaronder burgers in vrijheid kunnen handelen.Het kwaliteitsbeginsel dwingt de overheid inhoudelijke keuzen te maken en dus tot partijdigheid.” (Winsemius 1999, pp 12-13).
 
Toegepast op filmerfgoed: Er bestaat aan de ene kant het recht op vrijheid (gelijkheid, verscheidenheid, ontplooiing), dat wil zeggen: al het filmerfgoed moet voor iedereen toegankelijk zijn. Het aanbod van filmerfgoed moet bestaan uit een breed scala van alle mogelijke verschillende genres en stijlen, het aanbod van filmerfgoed moet zich richten op verschillende doelgroepen, en er moet voldoende gelegenheid zijn voor iedereen voor kennismaking met filmerfgoed en respons op filmerfgoed. Het ideaal van keuzevrijheid is concreet te vertalen in een breed aanbod van filmerfgoed in filmzalen, op scholen en in huiskamers. Dit is een ideaal dat veel geld kost.
Aan de andere kant staat de beperking van de kwaliteitseis, het recht op kwaliteit: alleen het waardevolle filmerfgoed komt in aanmerking voor behoud. Het is daarom noodzakelijk een selectie te maken van filmerfgoed met een hoge historische en/of artistieke waarde en een blijvende actuele betekenis. Dit is een criterium dat veel discussie oplevert.
 
Bijkomend probleem is het feit dat het cultuurbeleid in Nederland is verdeeld over drie verticale bestuurslagen: rijksoverheid, provincies en gemeenten. De ambtenaren en beleidsmakers proberen tot een onderlinge afstemming van beleidsvorming en beleidsuitvoering te komen in de zogenoemde cultuurconvenanten, maar de praktijk is weerbarstig.
 
Het erfgoedproject ‘Beelden voor de toekomst’ is een sectoroverschrijvende samenwerkingsverband tussen zes nationale instellingen.
De partners in dit project zijn het Filmmuseum (nu: EYE Film Instituut Nederland), het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, het Nationaal Archief, de Centrale Discotheek Rotterdam, de Vereniging van Openbare Bibliotheken en Stichting Kennisland.
Hoe is dit mooie project tot stand gekomen? De zes instellingen hadden in het voorjaar van 2006 gezamenlijk een petitie opgesteld, getiteld ‘Redt het audiovisuele erfgoed’. Er werden twee pleidooien gehouden:
  • Ten eerste is het audiovisueel erfgoed vergankelijk en kwetsbaar en moet het met de hoogste urgentie veilig gesteld worden. Deze lijn was eerder al uitgewerkt in de ‘Knelpuntennota Audiovisuele Archieven’ (in 1988 opgesteld door vier grote Nederlandse archieven, in opdracht van minster Brinkman) en in twee adviezen van de Raad van Cultuur: ‘Audiovisuele Collectie Nederland: bron van vreugde, vermaak en zorg’ (1998) en het ‘Deltaplan voor filmbehoud’ (2005). De Nederlandse archieven willen hun audiovisueel erfgoed digitaal beschikbaar maken, dit is een omvangrijke operatie, want het gaat hierbij in totaal om ongeveer 700.000 uur audiovisueel materiaal.
  • Ten tweede is het audiovisueel erfgoed nog grotendeels onzichtbaar, want het ligt opgestapeld in de archiefkluizen. Het moet veel meer en beter ontsloten worden voor educatief en creatief gebruik. De Nederlandse archieven stelden zich ten doel binnen vijf jaar een aanzienlijk deel van het audiovisueel archiefmateriaal te digitaliseren en beschikbaar te stellen via openbare bibliotheken en een digitaal distributienetwerk. Een basiscollectie zou rechtenvrij of onder Creative Commons-licentie beschikbaar komen. Het gestelde doel van ‘Beelden voor de toekomst’ was de conservering en digitale ontsluiting van 22.510 uur film, 137.200 uur video, 123.900 uur geluidsbanden en 2,9 miljoen foto's.
 
In mei 2006 werd een kosten-batenanalyse uitgevoerd: Baten in beeld. Uitwerking ‘Kengetallen kosten-batenanalyse Beelden voor de toekomst’ (Amsterdam: SEO-rapport nr 884a, mei 2006).
Het kabinet Balkenende II reserveerde in de rijksbegroting van september 2006 een bedrag van 173 miljoen euro voor de conservering van het audiovisuele erfgoed. Het geld was afkomstig van het Fonds Economische Structuurversterking (FES) en had deels de vorm van een lening: met de exploitatie van het gerestaureerde materiaal moesten de archieven 83 miljoen euro gaan verdienen en terugstorten in het fonds. De archieven moesten zich waarmaken als culturele ondernemers.
De netto investering van de overheid bedroeg dus 90 miljoen euro. Dit is het totaalbedrag, dat verdeeld moest worden over een periode van zeven jaar (dat is dus 12,9 miljoen per jaar) en deze investering moest in een evenredige mate verdeeld worden over de zes participanten.
Het Filmmuseum bijvoorbeeld zou in het kader van ‘Beelden voor de toekomst’ recht hebben op in totaal 35 miljoen, bestemd voor de digitalisering van de collectie. Dit is relatief een aanzienlijk bedrag, want het komt overeen met de totale jaarbegroting van het Filmmuseum in 2006.
Ter vergelijking en relativering: de Koninklijke Bibliotheek (KB) besteed in drie jaar circa 20 miljoen aan digitalisering en schat in totaal circa 300 miljoen nodig te hebben voor een periode van 20 jaar.
 
‘Beelden voor de toekomst’ betekent een grote stap vooruit op het gebied van conserveren en ontsluiten van audiovisueel erfgoed, maar het project heeft een open einde.
  • In de eerste plaats blijft ongeveer 400.000 uur audiovisueel materiaal over, dat niet aan de beurt komt. De prangende gewetensvraag is daarom: hoe verloopt de selectie welk materiaal binnen het project van Beelden voor de toekomst behandeld kan worden? Welke criteria worden gehanteerd? Ligt de focus op de esthetische waarde (uitgedrukt in een score van de stilistische en narratieve parameters van de film, in vergelijking met andere films) of op de cultuurhistorische waarde (de plaats die de film inneemt in de context van bijvoorbeeld de technologische ontwikkelingen van de cinema of van de Nederlandse vertoningspraktijk)?
  • In de tweede plaats is het vrijwaren van het auteursrecht een complexe en omvangrijke taak, die veel tijd kost. Het bleek niet mogelijk binnen de looptijd van het project voor al het beoogd materiaal een gebruikovereenkomst (licentie) op te stellen met alle rechthebbenden.
  • In de derde plaats werden in 2010 forse bezuinigingen aangekondigd, zodat de doelstellingen naar beneden toe aangepast moesten worden. ‘Beelden voor de toekomst’ loopt eerder af dan gepland, in 2012 in plaats van 2013. En er is geen hoop op een vervolgtraject. Wat nu?
 
We moeten gaan nadenken over argumenten voor de legitimering van het cultuurbeleid van de overheid. In ons geval moeten we de vraag stellen welke urgentie en relevantie het behoud van filmerfgoed heeft.
  • Fundamentele vraag: Welke functie heeft filmkunst en filmerfgoed in de samenleving? Welk bestaansrecht heeft het? Welke waarde?
  • Ethische vraag: Kan of mag de overheid invloed hebben op het behoud van filmerfgoed en de productie van filmkunst? Welke invloed?
  • Beleidsvraag: Waarom is subsidie voor het behoud, beheer en toegankelijkheid van filmerfgoed noodzakelijk, of gerechtvaardigd? Idem voor de productie, presentatie en conservering van filmkunst?
 
Het weerwoord tegen afschaf van kunstsubsidies bevat ruwweg vier mogelijke argumenten. Hoogleraar culturele economie Arjo Klamer bespreekt deze argumenten kritisch in zijn opiniestuk van 27 augustus 2010 in het Cultureel Supplement van NRC/Handelsblad. Zijn slotwoord is: “Het is hoog tijd voor de culturele sector om de sleetse excuses los te laten, en creatief en innovatief te worden in het realiseren van de waarden die de Kunsten hoe dan ook hebben.”. We zullen hier een aantal ‘sleetse excuses’ langslopen:
 
1. Kunst heeft intrinsieke waarde. Het is een esthetische, sublieme ervaring die geen aanwijsbaar of meetbaar nut heeft. Kunst biedt de kans tot een innerlijke verrijking die voor iedereen bereikbaar en beschikbaar zou moeten zijn. Iedereen heeft het recht op een brede keuzevrijheid (diversiteit en kwaliteit).
Ofwel: iedere burger moet in staat zijn tot vergroting van zijn of haar ‘cultureel kapitaal’. Deze term is gelanceerd door de socioloog Bourdieu, die overigens een sterke klassenscheiding constateerde in Frankrijk in de jaren zestig. Deze klassenscheiding bestaat nog steeds, ook in Nederland. Het lijkt zelfs op een loopgravenoorlog: aan de ene kant heeft de klasse die de intrinsieke waarde van Kunst aanvaard zich ingegraven en aan de andere kant de klasse die de Kunst haat. De communicatie bestaat uit schelden en verkettering.
 
2. Kunst heeft een instrumentele waarde. Het is een middel om een doelstelling te behalen.
  • In maatschappelijk opzicht: Kunst levert ook een bijdrage aan de kwaliteit van de samenleving, het openbare leven. Kunst levert waarde (of bespaart onkosten) door vorming van identiteit en samenhang en saamhorigheid (sociale cohesie), of ondersteuning van de vorming van een collectief geheugen.
  • In psychologisch opzicht: Kunst kan ook een uitlaatklep zijn voor emoties, ook gevoelens van onmacht en woede. Of, meer positief gesteld: een verwezenlijking van bijvoorbeeld de drang tot stille verwondering of juist luidkeelse vervoering, extase. Kunst is goed voor de geestelijke gezondheid.
  • In diplomatiek opzicht: representatie, reputatiemanagement, prestige. Culturele uitwisseling verstevigt diplomatieke betrekkingen en kan als onderdeel van economische missies de internationale afzetmarkt vergroten.
  • In economisch opzicht: kunst zorgt voor verhoging van de omzet, elke cultuurbezoeker levert de stad geld op. Voorbeeld: het International Film Festvial Rotterdam, of het Zomer Carnaval in Rotterdam.
De instrumentele waarde van cultuur is moeilijk te bewijzen. Hier is sprake van een invloedvraag. Dit soort vraagstellingen zijn altijd moeilijk te meten: causaal verband is zelden of nooit sluitend aan te tonen. 
 
3. Marktwerking is wellicht te lang uit het zicht gebleven in de culturele sector, maar marktwerking is zeker niet zaligmakend als oplossing voor bezuinigingen. In de cultuursector zou een 100% volledige marktwerking onvermijdelijk voor een verschraling van het aanbod zorgen, want de marktwerking biedt weinig ruimte voor keuzemogelijkheden. Onzekere experimenten maken dan geen kans, want alles wordt eenzijdig afgewogen tegen het criterium van rendabiliteit. Deze benadering werkt niet bij kunst en cultuur, want kunst is te beschouwen als een investering in artistieke Research en Development, zonder winstgarantie.
 
4. Kunst is een basisvoorziening, een collectief goed (‘merit good’ of ‘common good’), vergelijkbaar met frisse lucht of schoon water. De overheid heeft een verantwoordelijkheid voor de basisvoorzieningen van elk huishouden. Elke burger betaalt bijvoorbeeld waterschapsbelasting, maar deze financiering is niet toereikend voor alle kosten van deze voorziening en moet dus aangevuld worden met investeringen door de overheid.
 
Twee vragen lijken me van belang indien we filmerfgoed als een ‘merit good’ beschouwen:
Welk filmerfgoed kun je in huis halen, via de Publieke Omroep en de openbare bibliotheken? En: welk filmerfgoed kun je bezoeken in een actieradius van circa 70 kilometer van je huis? Het antwoord op deze twee vragen is voor mij een graadmeter voor de mate van beschaving van een samenleving en ook een indicatie van ‘the value of culture’.
 
Welk filmerfgoed kun je in huis halen, via de Publieke Omroep en de openbare bibliotheken?
  • Voorbeeld: In 2007 lanceerde het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid een eigen kanaal op de website van YouTube, met onder andere 42 beeldfragmenten uit het Polygoonarchief (1921-1979), zie http://portal.beeldengeluid.nl. Test: zoekterm “Opnames voor film over schilder Rembrandt (1976)”, we zien Jos Stelling aan het werk, in het Paleis op de Dam.
 
Welk filmerfgoed kun je bezoeken in een actieradius van circa 70 kilometer van je huis?
Voorbeeld: De vertoning van de volledige versie van de zwijgende Georgische film ELISO (1928), in de filmzaal van het Filmmuseum op 10 april 2008, met live muzikale begeleiding (piano en zang). Dit was helaas een eenmalige gebeurtenis, met een beperkt publieksbereik van circa 50 bezoekers. Toch is dit te verdedigen als een zeer waardevolle gebeurtenis.
Zie mijn artikelEliso (1928) en het netwerk van Nederlandse poortwachters bij de vertoning van zwijgende films met muzikale begeleiding’, in TMG (Tijdschrift Media Geschiedenis) jrg 11, nr 1 (zomer 2008), pp. 4-21. Ook beschikbaar op mijn website: http://www.peterbosma.info/?p=artikel&artikel=34.
 
De meeste politici denken vrijwel nooit verder vooruit dan vier jaar, ze leven bij de waan van de dag. Wellicht is dit een vooroordeel, maar het is in elk geval handig om ook in versimpelde politieke termen te spreken in het pleidooi voor ondersteuning van filmerfgoed:
  • "De collectie en expertise van EYE Film Instituut Nederland en het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid dringt door tot in alle hoeken van het land, de regionale spreiding is dus gewaarborgd” .
  • "Deze twee filmarchieven zijn de enige plek waar het in materieel opzicht zeer vergankelijke nationale filmerfgoed wordt bewaard en zo nodig gerestaureerd. Elke euro vermindering levert onherstelbare schade op. Kostbaarheden moet je koesteren. Het is een kwestie van goed rentmeesterschap."
  • "EYE Film Instituut Nederland betrekt in 2012 een nieuw gebouw, als resultaat van een privaat-publieke samenwerking. Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid betrok zes jaar geleden de kostbare nieuwe huisvesting. Investeren in nieuwe gebouwen kan alleen succesvol zijn als er samengewerkt wordt met betrouwbare partners, die hun zakelijke beloftes nakomen. De Overheid Nederland BV dreigt zich te laten kennen als een malafide firma".
 
Politici lijken echter nauwelijks vatbaar voor argumenten. We moeten daarom dan ook niet meer met argumenten komen, we moeten de beleidsmakers en bewindslieden de maat gaan nemen. De beleidswetenschap heeft hiervoor een goede meetlat ontwikkeld.
 
Prof A.B. Ringeling (EUR) en prof. A.C. Hemerijck (VU) schreven in 2003 een artikel waarin ze vier criteria schetsen bij de beoordeling van overheidsbeleid:
  1. Mag het: is er sprake van constitutionele rechtmatigheid? Toetsing van de democratische procedures en bestuurlijke bevoegdheden.
  2. Hoort het: welke mate van maatschappelijke aanvaardbaarheid? Toetsing aan publieke opinie, met als trefwoorden vertrouwen en geloofwaardigheid.
  3. Past het: welke mate van haalbaarheid? Toetsing aan de politiek-bestuurlijke slagvaardigheid en ‘ambtelijk vakmanschap’.
  4. Werkt het: welke mate van instrumentele doelmatigheid? Toetsing aan resultaten en effecten, afgezet tegen kosten en inspanningen.
 
Bron: Ringeling, A.B. & Hemerijck, A. (2003). Een toren van Babel? In V. Bekkers & A. Ringeling (Eds.), Vragen over beleid. Perspectieven op waardering (pp. 17-31). Utrecht: Lemma.
Ter aanvulling schreef prof. A.F.A. Korsten (Open universiteit) de notitie ‘Maatstaven voor de beoordeling van overheidshandelen’ (14 maart 2005), URL: http://www.arnokorsten.nl/PDF/Bestuurskunde/Maatstaven%20voor%20de%20beoordeling.pdf. Zie ook: J.G. March & J.P.Olsen Rediscovering institutions, The Free Press, New York, 1989.
 
Dit zijn vier goede agendapunten voor een weerbare verdediging. Laten we deze vier vragen eens toepassen op het filmerfgoed project ‘Beelden voor de toekomst’.
 
Uitwerking van vraag 1 (mag het?): hier lijkt weinig winst te halen, want de bezuiniging op ‘Beelden voor de toekomst’ lijkt netjes te zijn onderhandeld binnen de juridische grenzen.
 
Uitwerking van vraag 2 (hoort het?): in de publieke opinie is nog weinig gevoel voor de urgentie dat we met z’n allen voor de taak staan de herinnering aan oude films levend te houden:
  • als onderdeel van de filmkunst (het ‘patrimoine artistique’),
  • als onderdeel van een audiovisueel erfgoed in brede zin (de visuele cultuur, de geschiedenis van de representatie).
  • als onderdeel van het wereld erfgoed (‘world heritage’)
  • als onderdeel van het nationaal erfgoed (het fundament voor de lokale identiteit: ook filmmakers zijn te beschouwen als ‘erflaters’ van onze beschaving).
De UNESCO heeft eind van de jaren negentig een optelsom gemaakt van de hoeveelheid filmmateriaal dat wereldwijd restauratie behoeft. Dit resulteerde in een indrukwekkend getal: 250.000 kilometer film, ofwel tien procent van al het filmmateriaal dat wereldwijd in 538 filmarchieven ligt opgeslagen. 
Het trefwoord is duurzaamheid: willen we het bestaan van filmerfgoed ook voor de verre toekomst veilig stellen? Nog te veel mensen halen de schouders op bij deze vraag. Een collectieve mentaliteitsverandering vergt veel tijd en energie. Laten we beginnen met beleidsmedewerkers en politici rechtstreeks aan te spreken op deze onverschilligheid.
 
Uitwerking van vraag 3 (past het?): de versnippering van filmerfgoed over verschillende beleidsterreinen lijkt chronisch. Het Deens Filminstituut lijkt een goed voorbeeld te geven dat navolging verdient. In Denemarken combineren ze het nationaal filmfonds met het nationaal filmarchief en het nationaal filmtheater (zie http://www.dfi.dk/English.aspx). Het is interessant te onderzoeken hoe de Deense begroting er uit ziet en welke argumenten gehanteerd worden in de meerjarenplannen.
 
Uitwerking van vraag 4 (werkt het?): Frank Kalshoven (directeur van de Argumentenfabriek) heeft een lezenswaardige wekelijkse column in het economiekatern in de zaterdageditie van de Volkskrant: ‘Het spel en de knikkers’. Op 7 januari 2012 schrijft hij een heldere tekst over het testen van de effectiviteit van marktwerking. Zijn recept van vijf opeenvolgende vragen zouden we ook op het cultuurbeleid van de overheid kunnen toepassen:
“ [...] een sequentie van vijf vragen die een beleidsmaker zich zou moeten stellen, los van politieke overwegingen.
1. Wat is het marktfalen?
2. Wat zijn de kosten van het marktfalen?
3. Wat zijn de opties voor overheidsingrijpen?
4. Wat kosten die opties, en welke is het voordeligst?
5. Zijn de kosten van het voorgenomen overheidsingrijpen lager dan de kosten van het marktfalen?
Als de beleidsmaker op vraag 5 volmondig ja kan antwoorden, moet hij dus ingrijpen.
Zo ontstaat het model voor de ideale gemengde economie. Redeneren vanuit ‘pure’ marktwerking; hierin het marktfalen opsporen; dit marktfalen corrigeren. Zo ontstaat de perfecte machinerie. Voeg hier de voorkeuren van mensen aan toe [...] en er rolt een economie uit die sterk lijkt op de economie die we willen.”
 
Deze vijf vragen vergen veel rekenwerk, dat zal niet meevallen. We hebben in de culturele sector slechts enkele voorbeelden van experimenten met alternatieve verdienmodellen, zoals verschillende vormen van crowd funding en guerilla marketing en streaming video sites. Eenduidige en overtuigende cijfers ontbreken nog.
Bij filmerfgoed lijkt de noodzaak tot een overheidsinvestering bij voorbaat onvermijdelijk, want filmerfgoed staat altijd in het perspectief van de lange termijn. Daarnaast hebben pogingen tot marktwerking bij filmarchieven vooral een helder voorbeeld van marktfalen opgeleverd. Laten we dit feit hard maken met nuchtere cijfers.
 
Laten we ondertussen vooral ook niet vergeten dat het overheidsbeleid op het gebied van filmerfgoed in het teken moet staan van de filmtoeschouwer van nu en morgen, de mensen in de zaal die allemaal recht hebben op een ‘happy view’.
 
Positieve en strijdbare afsluiting: welke beleidsmaker is opgewassen tegen de combinatie van kritische vragen en constructieve analyses? Triomf gloort aan de horizon!

Naschrift 2015
Oorspronkelijk stond in 2007 een projectbegroting van 173 miljoen euro ter beschikking voor ‘Beelden voor de Toekomst’. Dit bedrag bestond uit 19 miljoen eigen inkomsten van de zes projectpartners, 90 miljoen subsidie (Fonds Economische Structuurversterking) en een terugverdienverplichting van 64 miljoen. In 2011 bleek dat het terugverdienen tegenviel. De begroting werd teruggebracht tot ruim 121 miljoen euro: circa 93 miljoen uit het Fonds Economische Structuurversterking, circa 25 miljoen OC&W, circa 3,7 miljoen eigen inkomsten.  
EYE Film Instituut Nederland heeft de website filminnederland.nl ontwikkeld, waar circa 400 films toegankelijk gemaakt zijn. In totaal zijn er circa 8.000 films gedigitaliseerd (circa 4.000 uur). Het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid heeft de website openbeelden.nl ontwikkeld. Meer informatie is te vinden in de eindpublicatie ‘Beelden van het verleden: 7 jaar Beelden voor de Toekomst: http://beeldenvoordetoekomst.nl/publicatie/BVDT_eindpublicatie_web.pdf
 
Gebruikte literatuur kunstbeleid
  • Berg, Ingrid van den & Suzanne de Sitter (red.) Kunst en overheid: Beleid en praktijk. Inleidende teksten, Amsterdam: Boekmanstichting/ Universiteit van Amsterdam, 1990 (2e druk).
  • Blokland, Hans, Publiek gezocht: Essays over cultuur, markt en politiek. Amsterdam/Meppel: Boom, 1997.
  • Dulken, Hans van, Sanering van de subsidiëring: Overheidsbemoeienis met monumentenzorg, film en toneel vanaf de jaren zestig, Amsterdam: Boekmanstudies, 2002.
  • Hoefnagel, F.J.P.M., Cultuurpolitiek, het mogen en moeten: De juridische en politiek-ideële aspecten van de bemoeienis van de Nederlandse rijksoverheid met de cultuur, Den Haag: SDU/Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 1992. Full text on-line: www.wrr.nl.
  • Hoogerwerf, A & M. Herweijer, Overheidsbeleid: Een inleiding in de beleidswetenschap, Kluwer, 2003.
  • Korsten, prof. A.F.A. ‘Maatstaven voor de beoordeling van overheidshandelen’ (14 maart 2005), URL: http://www.arnokorsten.nl/PDF/Bestuurskunde/Maatstaven%20voor%20de%20beoordeling.pdf .
  • Kuypers, Paul, In de schaduw van kunst. Een kritische beschouwing van de Nederlandse cultuurpolitiek. Amsterdam: Prometheus, 2000.
  • Maanen, Hans van, “Niemand heeft nog iets beters bedacht”: Het Nederlands kunstbeleid en het belang van de verbeelding, Groningen: Passage, 2004 (oratie).
  • Oosterbaan Martinius, Warna, Schoonheid, welzijn, kwaliteit: Kunstbeleid en verantwoording na 1945, Den Haag: Gary Schwartz/ Sdu, 1990. Oorspronkelijk Amsterdam: Universiteit van Amsterdam, Sociologisch Instituut, 1985. URL: www.dbnl.org/tekst/oost054scho01_01/
  • Pots, Roel, Cultuur, koningen en democraten: Overheid en cultuur in Nederland, Amsterdam: Sun, 2006 (3e druk).
  • Ringeling, A.B. & Hemerijck, A. (2003). Een toren van Babel? In V. Bekkers & A. Ringeling (red.), Vragen over beleid. Perspectieven op waardering (pp. 17-31). Utrecht: Lemma.
  • Winsemius, Aletta, De overheid in spagaat: Theorie en praktijk van het Nederlands kunstbeleid, Amsterdam: Thela Thesis, 1999 (proefschrift Universiteit van Leiden). Zie ook de boekbespreking door Hans van Dulken in ‘Ons Erfdeel’, URL: www.dbnl.org/tekst/_ons003200001_01/_ons003200001_01_0066.htm.
  • Wijn, Cor, Gemeentelijk Cultuurbeleid: Een handleiding, Den Haag: VNG uitgeverij, 2003.
  • Smitshuijsen, Cas en Inge C. van der Vlies (red.), Gepaste afstand: De ‘cultuurnotaprocedure’ tussen de kunst, het recht en het openbaar bestuur, Amsterdam: Boekmanstudies / Den Haag: Reed Business Information, 2004.

Gebruikte literatuur filmerfgoed in Nederland
  • Bosma, Peter, ‘De definitie van filmerfgoed’ (april 2011), URL: http://www.peterbosma.info/?p=artikel&artikel=35.
  • Bosma, Peter, ‘De legitimering van filmkunst’, in Boekman jrg 20, nr 77 (winter 2008) pp. 89-93. (themanummer over ‘Het belang van kunst’). URL: http://www.peterbosma.info/?p=artikel&artikel=10.
  • Gispen, Willem, ‘Film en overheid: op weg naar een echt filmbeleid?’, in: Beerekamp, Hans, Peter van Bueren et.al. (red.), Jaarboek Film 1983, Bussum: Wereldvenster, 1983, pp 15-30.
  • Hendriks, Annemieke, Huis van illusies: de geschiedenis van Paviljoen Vondelpark en het Nederlands Filmmuseum Amsterdam: uitgeverij Bas Lubberhuizen, 1996.
  • Heuvel, prof. dr. J.H.J. van den, De moraliserende overheid: Een eeuw filmbeleid, Utrecht: Lemma, 2004. De inleiding is on-line verkrijgbaar, zie: http://www.lemma.nl/Autosite/teksten/moraliserendov_inl.htm
  • Lauwers, Mieke (ed), Horen, Zien en Zwijgen: Conclusies van de Nationale Inventarisatie Audiovisuele Collecties, Hilversum, Nederlands Audiovisueel Archief, september 1999.
  • Lauwers Mieke & Bert Hogenkamp (red.) Audiovisueel: Van emancipatie tot professionalisering: Jaarboek 2005, Den Haag: Stichting Archiefpublicaties (SAP)/ Instituut voor Beeld en Geluid, 2006.
  • Maden, Frank van der (red), Audiovisuele collecties, Hilversum: Verloren, 1993.
  • Meyer, Mark-Paul, ‘Race tegen de tijd’, in: Skrien 148 (zomer 1986), p. 25-29.
  • Meyer, Mark-Paul, ‘Filmconservering als museale opdracht’, in: Albers, Rommy & Jan Baeke & Rob Zeeman (eds) Film in Nederland, Amsterdam/Gent: Filmmuseum/Ludion 2004, pp 422-429.
  • Oomen, Johan, ‘Tijdlijn Nederlandse audiovisuele archieven’, 22 november 2005, URL: www.birth-of-tv.org/birth/assetView.do?asset=1339149129_1129810991
  • Slot, Pim (ed) Gids voor historisch beeld- en geluidsmateriaal, Utrecht: stichting Film & Wetenschap, 1988 (1e editie). Herdrukken: Lauwers, Mieke (red) Amsterdam: Stichting Film & Wetenschap, 1994 (2e druk) & Kooyman, José (red), Hilversum: NAA, 1999 (3e druk).
  • Wijk, Piet van, ‘Een kwestie van kiezen. Acquisitie en selectie van de nationale audiovisuele collectie’, in: TMG, tijdschrift voor mediageschiedenis, jrg 3, nr 2 (dec 2000) pp 7-34.

Websites
 

* Deze tekst is een bewerking van de gastles die ik drie opeenvolgende jaren mocht geven aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht (HKU), in januari 2010, januari 2011 en januari 2012, als onderdeel van het seminar “De overheid op afstand, of op afstand van de overheid”, georganiseerd door Hans van Dulken voor zijn eerstejaars studenten van de opleiding Kunst- en cultuurmanagement.