De Nederlandse filmsector


Een inventarisatie van een fascinerende bedrijfstak

d
oor Peter Bosma
november 2013
2.500 woorden

De filmproductie in Nederland
Het aandeel van de Nederlandse film in het nationale filmaanbod is relatief gering, het bezoekersaandeel per jaar cirkelt rond de tien procent (met uitschieters van enkele percentages naar boven en beneden). Voor de jaaromzet moeten de Nederlandse bioscopen het dus hebben van import. Ook in de filmsector is Nederland dus vooral een distributieland. Toch is de nationale filmproductie een belangrijke factor in de filmcultuur, want het stimuleert het bioscoopbezoek en genereert veel publiciteit.
De filmproducent is de zakelijk leider in het proces van filmmaken en filmmarketing. Deze persoon is de spin in het web, die van vele markten thuis moet zijn. Een film tot stand brengen is steeds een klein wonder, de filmproducent maakt dit wonder mede mogelijk.
 
Het handboek Croon & Bosklopper (2013) biedt een beknopt en degelijk overzicht van de (Nederlandse) praktijk.
  • Deel 1 (ontwikkeling en financiering) gaat over de voorbereiding, met onder andere nuttige tips op financieel en juridisch vlak en voor het beoordelen van scenario’s.
  • Deel 2 (productie) bevat een overzicht van alle praktische en technische zaken die aan de orde komen bij het maken van opnamen (preproductie, productie en postproductie).
  • Deel 3 (exploitatie) handelt over de distributie en vertoning van de gemaakte film. Het boek geeft een helder overzicht van essentiële informatie en de uitleg van gespecialiseerd jargon, afgewisseld met aansprekende korte praktijkvoorbeelden, meestal citaten van Nederlandse professionals.
  • In deel 4 komen acht Nederlandse producenten aan het woord met adviezen aan aankomende collega’s.
Het handboek is gericht op een klein lezerspubliek: de aankomende producent, de nieuweling in het vak die kort en snel wordt bijgepraat over de beroepspraktijk.
 
Filmproducent is een fascinerend vak, dat deels gebaseerd is op het kunnen interpreteren van cijfers en op ervaring met projectmanagement, maar ook op een grote dosis toeval en geluk. Een filmproducent werkt achter de schermen, tijdens de productie heeft hij doorgaans geen contact met het publiek. Sommige startende filmmakers hebben echter creatieve oplossingen om voldoende budget op te bouwen door vooraf het publiek te laten sponsoren. Zo maakte Jos Stelling in 1974 zijn eerste speelfilm MARIKEN met steun van vele vrijwilligers. In 1995 werd de Nederlandse film ZUSJE gemaakt dankzij fondsenwerving bij het toekomstig publiek.
Het internet vergroot de mogelijkheden van interactie met het publiek, we kennen nu het relatief nieuwe verschijnsel van ‘crowd-sourced production funding’. In 2010 experimenteerde het International Film Festival Rotterdam met interactieve financiering door middel van het project www.cinemareloaded.com. In Frankrijk functioneert de website www.touscoprod.com succesvol. De Britse documentaire THE AGE OF STUPID (Fanny Armstrong, 2009) werd ook gemaakt op basis van ‘on-line investment’. Amerikaanse voorbeelden van ‘crowd funding’ zijn te vinden op onder andere de websites www.kickstarter.com en www.indiegogo.com. In de muzieksector werd overigens als eerste met dit financieringsmodel geëxperimenteerd (zie onder andere www.sellaband.com, dat in 2006 in Amsterdam werd opgericht en na vier jaar failliet ging).
In februari 2011 ging www.cinecrowd.nl online. Zie http://www.filmkrant.nl/nieuws_2011/6939/-/p_cnt_nieuws/1.
 
De promotie van de Nederlandse film gebeurt op vele fronten. Het Nederlands Filmfestival  is het nationale platform (onder andere de Gouden Kalf competitie), met ondersteuning door de nationale filmarchieven (EYE Film Instituut Nederland, en het Instituut voor Beeld en Geluid) en het Nederlands Filmfonds. Daarnaast zijn Nederlandse films ook te zien op het International Film Festival Rotterdam, op het International Documentary Festival Amsterdam (programma onderdeel ‘High lights from the Low Countries’), op het Holland Animation Film Festival en bij gespecialiseerde vertoners zoals het filmtheater het Ketelhuis in Amsterdam. De internationale lobby en service gebeurt door Holland Film Promotion, sinds 2010 onderdeel van het EYE Film Instituut Nederland.
 
Het fondsenlandschap van de Nederlandse filmwereld
Aan de ene kant bestaan de zogenoemde ‘matching filmfondsen’, met economische criteria bij de beoordeling van de aanvragen en financiële ondersteuning door middel van belastingvoordeel of een suppletieregeling (aanvulling van particuliere investeringen), gericht op het vergroten van werkgelegenheid, het stimuleren van investeringen, het verbeteren van infrastructuur.
Aan de andere kant bestaan de culturele filmfondsen, met artistieke criteria bij de beoordeling van de aanvragen, ondersteuning door middel van suppletieregeling of subsidies, gericht op het vergroten van de inhoudelijke kwaliteit, het vergroten van de artistieke reputatie.
Daarnaast bestaan er Europese filmfondsen, nationale filmfondsen en soms lokale filmfondsen.
 
De focus kan liggen bij het medium film of televisie of nieuwe media/videokunst of beeldcultuur in het algemeen.
De doelstelling kan zich specifiek richten op de stimulans van jong talent (stipendia voor opleidingen, of kansen voor debuutfilms) of op ondersteuning van ervaren filmers (garanderen van continuïteit, kansen voor distributie). De vraag hierbij is: hoeveel ruimte biedt men voor experiment (innovatie)? En hoeveel draagkracht creëert men voor traditie (volume)?
 
Matching fondsen in de Nederlandse filmsector
Het “Thuiskopiefonds” is een fonds dat inkomsten heeft uit auteursrechtenvergoedingen. Een klein deel van het vermogen (maximaal 15%) wordt gebruikt voor sociaal-culturele doeleinden.
 
Culturele fondsen in de Nederlandse filmsector
Het belangrijkste subsidiefonds van de Rijksoverheid is het Nederlands Filmfonds. De inkomsten komen voort uit de Kunstenplanbegroting van het Ministerie van OC&W (dat geadviseerd wordt door de Raad voor Cultuur). De beoordelingscriteria van de subsidie voor filmproductie zijn (grotendeels) artistiek van aard, de beoordeling gebeurt door adviesgroepen van deskundigen uit het filmveld.
Sinds de jaren tachtig bestaan er in Nederland twee fondsen die de coproducties van filmproducers en de televisie stimuleren: het Mediafonds en het CoBo Fonds (Stichting Coproductiefonds Binnenlandse Omroep).
 
Europese filmfondsen
In de jaren tachtig ontstond het Europees coproductiefonds, Eurimages (zie www.coe.int/T/E/Cultural_Co-operation/Eurimages/), maar in economisch opzicht is Eurimages van weinig betekenis voor de Nederlandse filmproductie. Er bestaat ook het Europese MEDIA programma (zie http://europa.eu.int/pol/av/index_nl.htm), met tal van ondersteunings-mogelijkheden.
Een bijzonder internationaal filmfonds tenslotte is het Hubert Bals Fonds (gelieerd aan het International Film Festival Rotterdam). Het International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA) heeft een vergelijkbaar fonds opgericht met het Jan Vrijman Fund (zie www.idfa.nl).
 
Leeswijzer filmproductie in Nederland (selectieve bibliografie)
  • Croon, Carolien & Stienette Bosklopper, De filmproducent. Handboek voor de praktijk, Delft: Eburon 2013 (2e druk).
  • Linthorst, G. De droomfabriek. Achter de schermen van de speelfilm. Weesp (Wereldvenster) 1988.
  • Elsaesser, Thomas e.a. (eds.), z.j., Hoogste tijd voor een speelfilm, Amsterdam: International Theatre & Film Books/ Leuven: Kritak.
  • Koning, Clea de, 1996, Het maken van ZUSJE, Amsterdam: Harmonie.
  • Bernink, Mieke (ed.), Dagboeknotities van jonge cineasten, Abcoude/Amsterdam: Uniepers/Skrien, 1997.
  • Heesen Hans & Lex Veerkamp, Een volstrekt onverklaarbaar wonder. De eerste stappen op het filmpad van twaalf Nederlandse filmmakers, Utrecht: Louis Hartlooper Stichting, 2004.
  • Kempers, Paul, Mariska Graveland & Fritz de Jong (red) De broertjes van Zusje. Tien jaar Nederlandse film 1995-2005, Amsterdam: Int. Theatre & film Books, 2006.
Zie ook: Bosma, Peter, ‘Marktverkenning voor aankomende animatiefilmmakers en experimentele filmmakers’, URL:  http://www.peterbosma.info/?p=cultuurmanagement&cultuurmanagement=25.
 
 
Het distributielandschap in Nederland
De Europese Unie kenmerkt zich door een omvangrijk Europees beleidsjargon, verveelvoudigd door de meertaligheid. Binnen de Europese Unie bestaat voor de filmdistributie ondersteuningsmogelijkheden bij Eurimages (zie www.coe.int/eurimages , gebruik zoekterm ‘distribution facts and figures’), dit fonds staat onder verantwoordelijkheid van de Europese Raad (Council of Europe). Daarnaast bestaat onder verantwoordelijkeheid van de Europese Commissie (European Commission) sinds 1991 het MEDIA-programma (zie www.mediadesk.nl, www.ec.europe.eu/media en www.mediasalles.it) met onder andere sinds 1992 het vertonersnetwerk Europa Cinémas (zie www.europa-cinemas.org) en sinds 2004 het (digitale) distributienetwerk CinemaNet Europe (CNE, zie www.cinemaneteurope.com). De EU geeft ook jaarlijks het European Cinema Yearbook uit. Voor Europees distributiebeleid check ook het European Audiovisual Observatory (zie www.obs.coe.int/about/oea/org/index.html).
 
De website www.filmdistributeurs.nl  biedt een overzicht van de Nederlandse filmdistributeurs. Op deze lijst staan een aantal ‘majors’, dat wil zeggen: de filialen van de internationale mediamaatschappijen, van oudsher verbonden aan de grote Hollywood studio’s. Voorbeelden: Sony Pictures Releasing (Columbia TriStar), Warner Bros Pictures, United Pictures International (Universal, Paramount). Het merendeel is te beschouwen als ‘independants’, zoals  A-film, Cineart, Paradiso Entertainment, Benelux Film Distributors, Independent Films, Wild Bunch Benelux, Twin Film.
 
In Nederland ondersteunt de overheid de distributie van niet-commerciële bioscoopfilms (‘art house films’) via een afnameregeling: het Filmfonds beheert een budget ter ondersteuning van de distributie per film van Nederlandse artistieke films en de Nederlandse artistieke kinderfilm. Voor de distributie van buitenlandse artistieke (kinder)films werd een vergelijkbare afnameregeling ontwikkeld.
 
De Publieke Omroep biedt streaming video van Nederlandse korte films en documentaires en televisiefilms via diverse sites. Tevens bestaan er themakanalen zoals Holland Doc en Cultura. Internationaal is te wijzen op themakanalen zoals BBC4, Canvas 4 , Arte en Canal . Op het internet zijn verder natuurlijk ook You Tube en andere internationale streaming video sites te raadplegen.
 
De heruitbreng van filmklassiekers gebeurt in Nederland door onder andere het EYE Film Instituut Nederland. De auteursrechten van de Hollywood studio’s zijn internationaal onder gebracht bij Hollywood Classics. In Engeland is het British Film Institute de spin in het web, aangevuld door firma’s zoals Park Circus Films. In België door het Koninklijk Filmarchief en onder andere de distributeur Cinéart. In Frankrijk is te wijzen op machtige filmmaatschappijen zoals Gaumont en MK2.
Binnen Europa is te wijzen op enkele gespecialiseerde distributie-organisaties voor de experimentele film en mediakunst, in onder andere Brussel (www.Argosarts.org), Wenen (www.SixPackFilm.com), Parijs (www.lightcone.org) en Londen (www.lux.org.uk).
 
Het jaaroverzicht van alle bioscoopfilms die in Nederland werden uitgebracht is te vinden in het Nederlands Jaarboek van de Film. De bezoekcijfers per distributeur en per film zijn onder andere ook te vinden op de  website van het Europese MEDIA-programma. Het is mogelijk per jaar het marktaandeel van de verschillende distributeurs te bepalen en ook welke distributeur de meeste publiekstrekkers heeft uitgebracht. Hiermee kunnen we de ontwikkelingen in de Nederlandse distributiewereld in kaart brengen: wie zijn de klimmers, wie zijn de dalers?
 
Het filmvertoners-landschap in Nederland
Tot in de jaren negentig bestond in Nederland een scherpe scheiding tussen het commerciële circuit (de bioscopen) en het niet-commerciële circuit (de filmhuizen en filmclubs). In de jaren zeventig en tachtig stond de Nederlandse Bioscoopbond (NBB) lijnrecht tegenover de vereniging Het Vrije Circuit, met vele vetes en wederzijdse verwijten. Die tijd is voorbij, maar het onderscheid tussen profit en non-profit is wel gebleven.
In de profit sector kun je programmeurs tegenkomen die zeggen: onze keus levert winst op, daarnaast gaan we incidenteel op zoek naar een art film waar we niets mee verdienen maar waar we toch in geloven en die dankzij ons een groot publiek kan bereiken. In de non-profit sector zul je programmeurs tegenkomen die zeggen: onze keus levert weinig bezoekers op, geen probleem, maar voor een goede balans gaan we incidenteel op zoek naar een publiekstrekker die aan onze selectiecriteria voldoet. Voorspelbaar resultaat: beide programmeurs komen vanuit hun verschillende benaderingswijzen op dezelfde film uit. Zo kan het gebeuren dat een art film zowel in een commerciële bioscoop als in een non-commercieel filmtheater staat.
Het accent binnen de non-commerciële filmvertoning in Nederland is verschoven van protest en strijd naar meer samenwerking en netwerken. De non-commerciële filmtheaters hebben een Europees netwerk (Europa Cinemas) en hebben zich in Nederland aangesloten bij het landelijk netwerk (de NVB). Daarnaast bestaan diverse provinciale netwerken en soms regionale samenwerkingen of een lokale bundeling van krachten (bijvoorbeeld Cineville).
 
Op de website van www.nvbinfocentrum.nl staat een actuele inventarisatie van het filmvertoners-landschap in Nederland. De brancheorganisatie NVB hanteert drie categorieën:
·     A-selectie: commerciële bioscoopketens, megaplexen en multiplexen met een programma van mainstream films en blockbusters, gericht op een popcorn publiek. Voorbeelden: Pathé, JT-bioscopen (Jochems Theaters), Wolff Cinema Groep.
·     B-selectie: commerciële zelfstandige, onafhankelijke bioscopen en art-houses (totaal circa 45), met een programma van cross-over films. Voorbeelden: het Louis Hartlooper Complex en Springhaver (Utrecht), The Movies en Kriterion (Amsterdam), CineMec (Ede).
·     C-selectie: non-profit en/of gesubsidieerde filmtheaters en art-houses, met een programma van art films, specials, cinematheek en festivals. Podium voor filmkunst en voor maatschappelijke dialoog, met een  focus op sociaal culturele thema’s en weloverwogen artistieke keuzes omgeven door randprogrammering en inbedding. Totaal circa 31 grote filmtheaters met een weekprogramma in meerdere zalen (enkele voorbeelden: Lux in Nijmegen, de Verkadefabriek in Den Bosch, Filmhuis Den Haag, Lantarenvenster in Rotterdam, Lumière in Maastricht, Rialto in Amsterdam, ’t Hoogt in Utrecht, Images in Groningen) en circa 74 kleine filmtheaters, waar de formatie bestaat uit een hoog percentage vrijwilligers. Samen hebben de filmtheaters van de C-selectie een marktaandeel van circa 6,2 % van de totale bezoekersaantallen in de Nederlandse vertoningssector.
 
Zie ook: Chiaradia, Ted (ed.) Filmtheaters en Cultuurbeleid. Handreiking voor bestuurders van provincies en gemeenten, Den Haag/Amsterdam: VNG. IPO, Eye Film Instituut Nederland, 2010.
 
Daarnaast bestaat nog een categorie die ook wel aangeduid wordt als ‘het derde circuit’ (naast bioscopen en filmhuizen), dit zijn de filmvertoners die ook functioneren als filmwerkplaats en broedplaats voor filmtalent of media laboratorium.
Voorbeelden zijn onder andere Worm (Rotterdam), Dziga (Nijmegen), Lazy Marie (Utrecht), Broet (Eindhoven) en SMART Project Space, Pakhuis De Zwijger en de Waag Society (Amsterdam). In Vlaanderen is te wijzen op Cinema Nova in Brussel (www.nova-cinema.org) en OFFoff art cinema in Gent (www.offoff.be).
 
Doekentekort: harde waarheid of fabel?  Een oude discussie, zie o.a.
  • Bernink, Mieke, ‘Het moet naar film ruiken, niet naar popcorn. Multiplexen voor de kwaliteitsfilm?’, in: Skrien nr 213 (april/mei 1997) pp7-8.
  • Brigitha, Jamain, ‘Doekentekort? Ammehoela!’, in: Skrien nr 239 (december/januari 1999/2000) pp 38-41.
  • Brinke, Petra ten, ‘Ruimte voor de kleinere film? Megaplexen’, in: Skrien nr 206 (februari/maart 1996) pp 7-8.
  • Hamersveld, Ineke van, ‘De business van megabioscopen. Schaalvergroting in de bioscoopwereld om het publiek te verleiden’, in: Boekmancahier 13e jrg, nr 48  (juni 2001), pp 171-181.
  • Graaf, Paul van de, ‘Nieuwe filmdistributeurs knokken om de doeken’, in: Skrien nr 232 (april 1999) p 19.
  • Oosterbeek, Willem, ‘Megabioscoop trekt breder publiek aan. Brussels Kinepolis als lichtend voorbeeld?’, in: Skrien Journaal .. (februari/maart 1992) pp 17-19.
  • Stienen, Francois, ‘Doekentekort. De kassatellers maken de dienst uit’, in: De Filmkrant 195 (dec 1998), URL: www.filmkrant.nl
  • Vos, André de, ‘Overscreened: megabioscopen leiden tot keiharde concurrentiestrijd’, in: Management Team jrg 4, nr 6 (1999), p 74-79
  • Watson, Neil, ‘Hollywood deelt de doeken uit. Filmvertoning in Europa’, in: Skrien nr. 227 (oktober 1998) pp 41-42.
  • Wolfs, Karin, ‘Filmtheaters: De vette jaren zijn voorbij’, in: De Filmkrant 268 (juli/augustus 2005), p 18, URL: http://www.filmkrant.nl.
 
Enkele Nederlandse festivals en organisaties op het gebied van experimentele film, video, audiovisuele installaties en beeldcultuur:
www.festivalrotterdam.com het IFFR met o.a. Expanded Cinema en  Exploding Cinema; www.impakt.nl (vanaf 1989); www.filmbank.nl (een reeks van Filmbank Tours); www.filmstad.org: festival van de poëtische experimentele en kunstzinnige film: PEK (vanaf 2004); www.StartingFromScratch.org (vanaf 2003); www.revisie.org (re:visie:lab); www.beeldfestival.nl (Image  Festival, Rotterdam, vanaf 2009); www.rocketcinema.nl; www.videoinferno.nl (Cine Sonic); www.uploadcinema.nl (offline presentatie van online videofilms en clips:”Taking Web Films to the Big Screen”); www.dropstuff.nl (landelijk platform voor mediakunst en e-culture); www.blog-art.nl (offline presentatie van online creativiteit), www.gogbot.nl (Enschede), www.strp.nl (Eindhoven), www.incubate.org (Tilburg), www.SonicActs.com (Amsterdam).
 
Zie verder de inventarisatie van het Virtueel Platform: http://virtueelplatform.nl/activiteiten/mapping-mediafestivals (2011). Zie ookContour, Biennale voor Bewegend Beeld (http://www.contour2011.be/nl/).
 
De experimentele films worden zelden vertoond in de commerciële filmtheaters, vanwege het geringe publieksbereik. Ook experimentele films horen echter op het grote doek. Dit gebeurt in de filmzalen van EYE Filminstituut Nederland en incidenteel in overige non-commerciële filmtheaters en in de filmzalen van culturele instellingen en musea.
Zie ook het rapport ‘Nederlandse experimentele film: op de plank of in roulatie? Een onderzoek naar de distributie van de grensverleggende film in Nederland’ (december 2001), geschreven door Peter van Hoof en Anna Abrahams.
 
Aanbevolen literatuur Nederlandse Experimentele films:
  • Abrahams, Anna &  Mariska Graveland & Erwin van ’t Hart & Peter van Hoof (red.), MM2 experimentele film in Nederland sinds 1960, Amsterdam: de Balie / Filmbank, 2004. (inclusief dvd: CADAVRE EXQUIS, Anna Abrahams, 2004, 36 min).
  • Abrahams, Anna & Opdam, Claartje & Graveland, Mariska (eds) Film 3 [kyu bik film], Amsterdam: EYE Film Instituut Nederland, 2010.
  • Boomgaard, Jeroen & Bart Rutten (eds), De magnetische tijd: Videokunst in Nederland 1970-1985, Rotterdam: Nai Uitgevers,, 2003.
Aanbevolen internationale literatuur over experimentele films