Elsaesser & Horwath & King (eds) 2004


Meerstemmige nostalgie rondom the seventies
De Amerikaanse filmproductie van de jaren zeventig is al vaak onderzocht en beschreven. De eerste pioniers waren o.a. James Monaco (American Film Now, 1979) en Robert Phillip Kolker (A Cinema of Loneliness, 1980), de meest recente aanwinsten zijn o.a. David Cook (Lost Illusions, 2002) en Peter Lev (American Cinema in the 70s, 2000).

Er is dus een aardig leesplankje te vullen over dit onderwerp. Uit de verzameling publicaties is ondertussen een algemeen geaccepteerd standaardverhaal over “New Hollywood” te distilleren, met als vaste ingrediënten een generatieschets van de ‘movie-brats’ aan de Oostkust en Westkust, de positieve invloed van de goedkoop gemaakte ‘exploitation movies’, en het verval van de gouden tijden door onder andere de komst van de ‘block-busters’. De meeste hoofdpersonen van deze kroniek zijn nog in leven en zijn nog steeds praktiserende filmmakers, hun werk uit de jaren zeventig behoort echter wel definitief tot het filmerfgoed (Martin Scorsese is hierbij wel als één van de meest tot de verbeelding sprekende voorbeelden te beschouwen).

De oorsprong van de bundel essays ligt in een retrospectief van het filmfestival van Wenen, in 1995. Samensteller Alexander Horwath sprokkelde toen een reeks merendeels Amerikaanse essays bij elkaar en liet ze in het Duits vertalen. Hij gaf in zijn inleiding een heldere terugblik op het Amerikaanse filmklimaat in de jaren zeventig, met een overzicht van de meest belangwekkende filmmakers uit die tijd en hun hoogtepunten.
Deze Oostenrijkse festivalbundel werd krap tien jaar later opgepakt door de Amsterdam University Press, als basis voor een publicatie in de reeks “Film Culture in Transition”. Helaas was dit keer geen begeleidend filmprogramma voorzien, wat wellicht als kenmerkend gezien kan worden voor de bloedarmoede van het cinefiele klimaat in Nederland.
 
De essays uit het boek van 1995 werden dus anno 2004 terug in het Engels gezet, of uit het Duits in het Engels vertaald. Daarnaast werd de omvang verdubbeld met nieuwe bijdrages. In deze vorm is de bundel nog meer een waardevolle aanvulling op de al bestaande, omvangrijke literatuur over “New Hollywood”. Samensteller Thomas Elsaesser neemt de taak op zich om als een ervaren dagvoorzitter een rode draad in de diversiteit van de aangeboden kritische essays te onderscheiden. Hij stelt zich ten doel om met deze bundel de veranderende kritische beoordeling van de Amerikaanse cinema uit de jaren zeventig te documenteren. Deze ambitieuze doelstelling wordt mijns inziens niet overtuigend genoeg gehaald. De essays morrelen allemaal wel aan het standaardverhaal van “New Hollywood”, door een focus te richten op onbelicht filmerfgoed of door kritische kanttekeningen te maken bij de bestaande filmgeschiedschrijving. Maar de bundel is niet systematisch opgezet en de verdienste overstijgt daarom dit keer de som der delen niet
We waren gewaarschuwd: de bundel is niet bedoeld als een filmgeschiedschrijving en ook niet als een wetenschappelijke analyse van de receptiegeschiedenis. De bundel is ook niet een reader met een representatieve selectie van spraakmakende essays, en het is ook geen verzameling close-readings met theoretische inbedding. Wat is het wel? Het is een compilatie van bevlogen filmkritieken (en dat legitimeert de uitgave meer dan voldoende). De bundel beperkt zich daarbij tot veelal Amerikaanse critici en tot essays die merendeels in de jaren negentig zijn geschreven. Uitzonderingen zijn Elsaesser zelf (met een essay uit 1975) en bijvoorbeeld Adrian Martin (met een essay uit 1988).
 
Eén van de functies van filmkritiek is het vormen van een cinefiele gemeenschap, mensen die met elkaar verbonden zijn door hun filmliefde. Deze articulatie van een cinefiele identiteit is een historisch fenomeen, dat zich uitstrekt over een periode van ruwweg honderd jaar. De eerste filmtheoretici van de jaren twintig waren immers meteen ook één van de eerste uitgesproken cinefielen. Door de komst van internet en de intensivering van het filmfestivalcircuit is de cinefiele identiteit onderdeel geworden van een internationale uitwisseling, daarnaast wordt de cinefiele identiteit steeds meer gekenmerkt door een nostalgische toon. De bundel “The Last Great American Picture Show” past binnen deze internationale tendens van nostalgische cinefilie. De criticus David Thomson mag de toon zetten in een lyrisch openingsstuk dat getiteld is “The Decade When Movies Mattered”. Hierin bezingt hij in Hemingway-achtige stoere bewoordingen zijn liefde voor Echte Cinema. Critici als J. Hoberman of Jonathan Rosenbaum vallen hem bij met overtuigende emotie en argumenten, ook zij hebben de jaren zeventig als actieve filmcriticus meegemaakt. Een jongere cricitus als Kent Jones schuift probleemloos aan bij deze meerstemmigheid van lichte filmverdriet en dat maakt bij hem dan een geforceerde indruk (maar wellicht ben ik te streng).

De bundel biedt in elk geval een waaier aan hartstochtelijke informatie en de lezer zal onder andere nieuwsgierig worden naar minder bekende films als Wanda (Barbara Loden, 1970) of Fingers (James Toback, 1978). De bundel geeft zicht op filmcritici aan het werk, schavend aan een ‘work in progress’. Hiermee biedt de uitgave een bijzonder inspirerende aanzet tot nader kritisch onderzoek van de Amerikaanse filmindustrie in de jaren zeventig.
 
Elsaesser, Thomas, Alexander Horwath, Noel King (eds), The last Great American Picture Show: New Hollywood Cinema in the 1970s, Amsterdam: Amsterdam University Press,2004. ISBN 90 5356 493 4 (hardcover), ISBN 90 5356 631 7 (paperback).

Boekbespreking Elsaesser & Horwath & King (eds) 2004,
door Peter Bosma,
gepubliceerd in TMG vol 8, nr 1 (2005) p. 119-120.