Cinema in Vlaamse context (2007)



Boekbespreking van Biltereyst & Meers (eds.) 2007 & Biltereyst & Stalpaert (eds.) 2007:
Cinema in Vlaamse Context

gepubliceerd in TMG jrg 11, nr 2 (2008) pp. 108-110.

In 2006 verscheen het veelzijdige themanummer van TMG over Cinema in Context, waarbij de aandacht voor het Vlaamse onderzoeksproject De Verlichte stad beperkt bleef tot de vermelding van de website. Wie interesse heeft in de vorderingen van onze Zuiderburen kan terecht bij de recent gepubliceerde bundel De verlichte stad. Een geschiedenis van bioscopen, filmvertoningen en filmcultuur in Vlaanderen.
Deel 1 bestaat uit een chronologisch overzicht (van 1905 tot heden) en deel 2 bestaat uit case studies. Het evenwichtig samengestelde boek is het resultaat van het teamwork van zeven filmwetenschappers en historici van de universiteiten van Gent en Antwerpen, met medewerking van drie onafhankelijke onderzoekers en met genereuze credits voor student-werkstukken. De teksten zijn introducerend van karakter, didactisch en toegankelijk geschreven. Het project sluit aan bij internationaal onderzoek, met Robert C. Allen als inspiratiebron (maar zonder verwijzing naar de Nederlandse publicaties).
 
Hier volgt een korte hink-stap-sprong door de inhoudsopgave van het boek. Het hoofdstuk over de beginperiode is natuurlijk toebedeeld aan Guido Convents, die zijn toonaangevende dissertatie uit 2000 onvermeld laat. Zijn bijdrage komt op mij over als een samenvatting hiervan, maar wellicht is hier ook sprake van aanvullingen en bijstellingen? Het ongenoemd laten van het eigen standaardwerk kan gezien worden als de hoogste graad van bescheidenheid of juist van meesterlijke arrogantie, het is in elk geval onhandig voor de niet-gespecialiseerde lezer.
De bijdrage over de oorlogsjaren is natuurlijk toebedeeld aan Roel Vande Winkel, zijn bijdrage is gebaseerd op zijn onderzoek naar de nazi-filmpolitiek in België en Europa (ook hier blijft de Nederlandse oogst aan publicaties onvermeld).
Rik Stallaerts schrijft de case study over het netwerk van ‘rode bioscopen’, een zorgvuldige herwerking van zijn eerdere publicatie uit 1989 (destijds met medewerking van Bert Hogenkamp). Mooi dat dit materiaal nu opgepoetst is en makkelijk beschikbaar is gemaakt!
Eisenstein-kenner Bruno Bové geeft een gedetailleerde documentatie van de vertoningsgeschiedenis van Potemkin in België en het bezoek van de regisseur aan Luik en Brussel. Deze case study vol rivaliteit en bittere naijver en rigoreuze overheidscensuur is exemplarisch voor het verzuilde en verdeelde land: de zuilen van socialisten, liberalen en katholieken bestonden toen ook in twee versies: Vlaams en Waals, met tussenin het Brussels gewest als stootkussen (of stoorzender, al naar gelang het gehanteerde perspectief).
Daniel Biltereyst heeft als case study de Katholieke Filmactie en schrijft ook het hoofdstuk over de Vlaamse filmcultuur in het Interbellum. Hij bespreekt hierin onder andere de gevolgen van de geluidsfilm voor de Vlaamse bioscoopsector. De korte paragraaf over filmclubs heeft hij een nadere uitwerking gegeven in een andere boekpublicatie (Filmsporen. Opstellen over film, verleden en geheugen
), die straks aan de orde komt.
Gert Wilems bespreekt de situatie in de jaren vijftig en maakt een eerste aanzet tot de lokale filmvertoningsgeschiedenis in Antwerpen (de sexbioscopen krijgen een apart hoofdstuk toebedeeld), Lies van de Vijver beschrijft als case study de filmvertoningsgeschiedenis van Gent en bespreekt de Vlaamse filmcultuur in de periode van de jaren zestig en zeventig. Philippe Meers tenslotte geeft op verdienstelijke wijze een beknopt overzicht van actuele ontwikkelingen op filmvertoningsgebied (de opkomst van de multiplexen), en bespreekt onder andere de gevolgen voor Vlaanderen van internationale tendensen (de digitalisering).
 
Daniel Biltereyst geeft in zijn bijdrage aan een tweede recente Vlaamse bundel (Filmsporen. Opstellen over film, verleden en geheugen)de contouren aan van een mogelijk archiefonderzoek naar de filmclubs in België, wat hij aanduidt als een witte vlek in het filmhistorisch onderzoek. Hij stipt enkele beroemde voorbeelden aan (zoals de Brusselse ‘Club du Cinéma’, de ‘Club du Cinéma d’ Ostende’ van Henri Storck en vooral de ‘Studio des Beaux-Arts’, de voorloper van het Koninklijk Filmarchief). De vertoning van Potemkin in België dient opnieuw als case study. Deze tekst is een mooie opmaat naar vervolgonderzoek, maar de relevantie van een dergelijk onderzoek wordt slechts summier toegelicht en helaas blijft de recente dissertatie van Malte Hagener ongenoemd (Moving Forward, Looking Back. The European avant-garde and the invention of film Culture 1919-1939), want hierin wordt een poging gedaan te komen tot een overkoepelend theoretisch kader (zie TMG 10/2007-2).
 
De toepassing van internationale theoretische inzichten
Filmsporen is een gelegenheidsbundel ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de universitaire filmclub Plateau. Helaas heeft men afgezien van de kans om een exemplarisch openingsartikel te plaatsen over de situering en positionering van deze filmvertoningen, dit is nog een uitdaging voor de toekomst (waarbij dan meteen de programmering van ’t Stuc in Leuven meegenomen kan worden, een vergelijkbaar initiatief dat nu nog volstrekt onterecht ongenoemd blijft).
 
Positief punt van de bundel is de toepassing van internationale theoretische inzichten op een rijk scala aan lokale onderwerpen. De rode draad van de bundel is het perspectief van de geheugenstudies, een stroming die vooral bij uitgeverij Routledge een podium heeft gevonden (zie o.a. de bundel Regimes of Memory onder redactie van K. Hodgkin & R. Radstone, 2003). De inleiders van de Vlaamse bundel signaleren een koerswijziging in filmstudies, een verschuiving naar meer aandacht voor de context van de filmtekst, de focus ligt nu meer op de sociale ervaring van films. De term ‘paradigmawisseling’ die gehanteerd wordt is mij te extreem, want bijvoorbeeld in Nederland is al sinds de jaren tachtig sprake van een bloeiende praktijk van lokale filmgeschiedschrijving.

De lezer van Filmsporen moet beschikken over enige welwillendheid, of inlevingsvermogen in de gelegenheid. Er is gekozen voor een combinatie van ervaren schrijvers en debutanten. Het is op zich een mooi streven om jonge onderzoekers en uitblinkende studenten een podium te geven, maar dit vergt dan wel een strenge eindredactie. Dit is hier onvoldoende gebeurd, met als gevolg dat vele prille bijdragen ontsporen door beginnersfouten. Gunstige uitzondering is Isolde Vanhee die een mooi beknopt essay schrijft over de actuele ontwikkelingen binnen het genre van de Amerikaanse gangsterfilm.
Een ander positief punt is de samenwerking tussen de twee Gentse publicatieseries ‘Film & TV Studies’ en ‘Studies in Performing Arts and Film’, de lezer kan nu meekijken in de collegezalen van beide studierichtingen aan de Universiteit van Gent. De bijdragen van docent-onderzoekers Roel Vande Winkel en Bruno de Wever bijvoorbeeld bestaat uit een mooi systematische, didactische tekst over ‘de historische speelfilm als geschiedenisfabriek’. Het lijkt op een uitgeschreven hoorcollege dat ook interessant zal zijn voor Nederlandse studenten (die dan meteen warm zijn gemaakt voor nog een andere recente publicatie uit Vlaanderen: de bundel Perspectives on European Film and History onder redactie van L. Engelen en R. Vande Winkel, 2007, besproken in TMG 11/2008-1).
Onder mijn kritische leeshouding sluimert dan ook een gezonde dosis afgunst: in Vlaanderen zien ze kans een stapel mooie publicaties op de markt te zetten, dat verdient stellig en acuut navolging in Nederland!
 
Biltereyst, Daniel & Philip Meers (eds.)
De Verlichte Stad: Een geschiedenis van bioscopen, filmvertoningen en filmcultuur in Vlaanderen, Leuven (Lannoo Campus) 2007.
 
Biltereyst, Daniel & Christel Stalpaert (eds.)
Filmsporen. Opstellen over film, verleden en geheugen, Gent (Academia Press) 2007.