Frampton (2006) en Furby & Randell (eds) 2005


Soms is het gras groener bij de buren: In Engeland was bij de University of Southampton een jaar lang budget voor de organisatie van een serie seminars over de methodologie van film studies en er was een uitgever die de bijbehorende tekstbundel wilde publiceren. Het betreft hier merendeels originele bijdragen van onbekende auteurs. Zouden we dat in Nederland en Vlaanderen ooit voor elkaar krijgen?

Jacqueline Furby en Karen Randell constateren in hun inleiding dat “interdisciplinariteit” het actuele toverwoord is op het vlak van methodologie: wie over film schrijft en nadenkt kan kiezen uit een grote vitrine van mogelijkheden. Een kleine greep uit het assortiment: filosofie, historische hermeneutiek, muziekwetenschap, beeldende kunstkritiek, close reading, culturele theorie en film theorie.
In de zestien bijdragen van de bundel Screen Methods komen vele benaderingen aan bod, ruwweg verdeeld in drie delen: “Scape: film form and method” (filmstijl: kader, ruimte, tijd, geluid), “Views: theory and method”(subjectiviteit: toeschouwersactiviteit, representatie) en “Scenes: new technology and method” (publieksonderzoek, filmproductie).

De lezer kan door het boek bladeren alsof het een catalogus van mogelijke perspectieven en methoden is. De bundel biedt in zijn veelzijdigheid vele aangename verrassingen. 
Een eerste voorbeeld: Redactrice Jacqueline Furby analyseert het tijdgebruik en de beeldcompositie in American Beauty (regie: Same Mendes), met Deleuze als gids. In deze film zit een mooi spel met de tijd, een uitgekiend ritme van herhaling van momenten en met kleine variaties, en een spel van verwachtingen kweken en invulling geven met net een onverwachte draai. De auteur balanceert op het randje van uitvoerig gewichtig doen over evident waarneembare details, maar Furby slaagt erin de intentie van de bundel waar te maken: ze illustreert actuele theorie op een inspiratievolle wijze met actuele filmvoorbeelden. Een tweede voorbeeld: Damian Sutton analyseert in zijn essay de visuele stijl van Gladiator (regie: Ridley Scott) door een vergelijking te maken met een schilderij uit 1784 en 1872. Dit is inderdaad een geforceerde vergelijking, die toch interessante aanknopingspunten biedt voor de analyse van de representatie van Rome door de tijd heen. De tekst leest alsof je bij een bevlogen lezing of hoorcollege zit. Datzelfde geldt bijvoorbeeld ook voor de tekst van Michael Williams die een ‘gay reading’ van A Room With A View (regie: James Ivory) geeft: hij biedt een gedegen inbedding in recente literatuur en bezigt een opgewekte, heldere toon.
 
Zo biedt de hele bundel een scala aan geschikte discussiestof voor het hoger onderwijs. Bijna onvermijdelijk is de constatering dat niet het hele assortiment naar meer doet smaken. Zo wordt mijn negatieve (voor)oordeel ten opzichte van psycho-analyse en film opnieuw bevestigd door de zeldzame misser in deze bundel. John Philips bespreekt Romance (regie: Catherine Breillat) in een essay dat dermate doordrenkt is van nodeloos jargon dat ik het slechts met een zucht van ergernis terzijde kan schuiven. Het is in elk geval een perfect voorbeeld van hoe het (mijns inziens) niet moet. 
 
Een andere recente publicatie uit Engeland relativeert het groene gras bij de buren weer sterk.
De dertiger Daniel Frampton mocht zich uitleven in zijn ontevredenheid over filmstudies en filosofie. Hij is oprichter van het on-line tijdschrift Film Philosophy, maar koos toch voor het podium van een boekuitgave. De flaptekst bevat alvast complimenten van talloze bekende Britse filmwetenschappers, wat me bevreemd. Frampton koestert de pretentie om de boel eens lekker op te schudden en af te stoffen, maar hij blijft steken in nodeloos nieuw jargon waarmee hij tamelijk herkenbare inzichten serveert. Natuurlijk heeft het digitaal manipuleerbaar beeld de relatie tussen film en werkelijkheid veranderd en natuurlijk is het interessant om naar het effect van films te kijken en te analyseren wat er bijvoorbeeld op emotioneel vlak met de toeschouwer gebeurt en te trachten deze effecten te verklaren.
Frampton mijmert er lustig op los, over een nieuwe manier van denken over film, in zijn enthousiasme laat hij heel veel filmtitels voorbijvliegen waar hij vervolgens verbluffend weinig over zegt. Zijn betoog gaat mank aan een overmaat aan stelligheid, een gebrek aan argumentatie en een gebrek aan nieuwe inzichten. Van de hoge stapel literatuur die hij op zijn bureau verzameld heeft, lijken de publicaties van Gilles Deleuze de enige die hij met instemming kan bespreken en citeren. Frampton heeft bijvoorbeeld kritiek op Bordwell, maar zijn bespreking mist scherpte: hij geeft eerst een schoolse samenvatting en giet er dan een scheut ongerichte baldadigheid bij. Dat is te mager als inspiratievonk voor een polemiek. Een goed voorbeeld van polemiek werd jaren geleden gegeven door diezelfde Bordwell en de andere auteurs van de bundel Post Theory: die bundel was een bazaltblok dat in de vijver van filmstudies plonsde, het boek van Frampton is in vergelijking nog geen kiezelsteentje. Hij slingert stuurloos heen en weer tussen puberale idealen, losgeslagen bevlogenheid en soft geneuzel. Ronduit ergerlijk zijn de vage visioenen van heerlijke filmreflectie die hij ons voorspiegelt. Met zijn bezwerende taal laadt hij de verdenking op zich van kwakzalverij: als u mijn manier van denken en mijn taal overneemt, dan zult u dieper en beter genieten van film.
Een citaat ter illustratie: “The filmgoer […] will have a more suitable mode of attention and thus experience more, and thus have more meaning possibilities to steer their interpretation. The experience of film becomes in some sense ‘organic’ because style is tied to meaning with natural, thoughtful, humanistic terms of intention […]” (blz 149).
Het boek maakt deze belofte helaas helemaal niet waar.

Is er dan niets positiefs te melden? Jawel hoor, Frampton maakt aardige sprongen door de tijd met verbinding van oude en nieuwe filmtheorie en met de verbinding van filosofie en filmstudies. Hij ondergraaft academische automatismen en kritische routines, hij geeft een bevlogen pleidooi voor terugkeer naar de pure sensatie van de filmervaring en de sprakeloze bewondering voor verbeeldingsrijke cinema. Het is uiteindelijk toch best een aardige man, want hij houdt van films en hij belijdt zijn hartstocht hartstochtelijk.
 
Frampton, Daniel, Filmopsophy, London (Wallflower Press) 2006.
Furby, Jacqueline & Karen Randell (eds), Screen Methods. Comparative Readings in Film Studies (London: Wallflower Press) 2005.

Boekbespreking van Frampton (2006) en Furby & Randell (eds) 2005:
door Peter Bosma
Gepubliceerd in TMG jrg 9, nr 2 (2006), pp 115-117.