Hagener (2007)


Filmwetenschapper Malte Hagener onderzoekt in zijn dissertatie de invloedslijnen rondom de historische Europese avant-garde, geplaatst in het brede verband van de filmcultuur (distributie, programmering, debat). Hagener geeft een inspirerende revisie van bestaand onderzoek. Hij durft het aan dwarsverbanden te leggen in een nogal verkokerd onderzoekslandschap.

In het Interbellum was er een aanvulling op de reguliere uitbreng in de bioscopen, een non-commercieel aanbod dat gepresenteerd werd in een netwerk van filmclubs. In de jaren twintig kwamen ze tot bloei, in de jaren dertig raakten ze in verval. De filmclubs bleken niet flexibel genoeg om zich aan de verandering van de tijden aan te passen.
 
Opkomst en ondergang, met nuances
Er is veel onderzoek gedaan naar de Europese historische avant-garde, maar de boekenkast is gevuld met studies die zich veelal richten op biografische elementen van afzonderlijke makers of analyse van afzonderlijke filmteksten. De institutionele onderzoeken zijn in opkomst, maar richten de blik zelden buiten de verschillende landsgrenzen. Hagener hanteert als eerste een Europees perspectief, met verbindingen tussen Duitsland, Frankrijk, Engeland en Nederland.
 
Een solide synthese maken van vier nationale verhalen is een grote uitdaging, dit blijkt met name in hoofdstuk drie, gewijd aan het netwerk van Europese filmclubs. Dit overzicht is nog te veel een grabbelton van losse draden gebleven. Hagener bespreekt de bestaande documentatie met een hink stap sprong, wat didactisch zijn waarde heeft maar inhoudelijk weinig nieuwe inzichten oplevert.
In hoofdstuk vijf is hij opnieuw didactisch bijzonder op dreef met het verhaal over de wisselwerking tussen de avant-garde in de Sovjet Unie en Europa, met Berlijn als knooppunt. Dit hoofdstuk biedt een mooie verwerking van verspreide bronnen en een heldere bijstelling (‘reframing’) van traditionele filmgeschiedschrijving.
 
Het slothoofdstuk zes is een uitmuntende case study, over de vergelijking van MELODIE DER WELT (Walter Ruttmann, 1928-29) en DRIFTERS (John Grierson, 1929). Deze verrassende combinatie levert een goed vertrekpunt voor een helder betoog over de wisselwerkingen tussen avant-garde en documentaire en over de werking van de diverse context-factoren.
 
Hagener biedt een heroverweging en nuancering van bestaand onderzoek, hij protesteert tegen snelle conclusies en gemakzuchtige eenduidigheid. Een van zijn onderzoeksvragen is welke verklaring gevonden kan worden voor het verval van de avant-garde.
De meest gangbare verklaring is de ondergang te wijten aan de komst van de geluidsfilm. Hagener betoogt in zijn dissertatie dat er meer oorzaken voor het verval waren. De essentie van zijn betoog ligt keurig in de titel vervat: “Moving forward, looking back”. De avant-garde koesterde in de jaren twintig een ideaalbeeld van de toekomst, dat werd afgezet tegen een afkeer van het verleden en een verzet tegen de commerciële filmindustrie. De verworvenheden van de avant-garde werden echter overgenomen door de filmindustrie en vele avant-garde filmmakers gingen in de jaren dertig voor de grote studio’s werken of gingen in overheidsdienst. De vertoningen in de filmclubs waren zo succesvol dat ze commercieel interessant werden. De futuristische idealen verloren tamelijk snel hun dynamiek, ook de rebelse vooruitgangsgedachten bleken een historisch verschijnsel te kunnen worden. In wielrenners-termen: de koplopers werden opgeslokt door het peleton.
 
Hagener, Malte, Moving Forward, Looking Back. The European Avant-garde and the Invention of Film culture 1919-1939, Amsterdam (Amsterdam University Press) 2007.
 
Deze boekbespreking is gepubliceerd in TMG, jrg. 10, nr 2 (2007), pp 132-134.