De veelzijdigheid van de Nederlandse film



(Deze boekbespreking is in licht gewijzigde vorm gepubliceerd in het on-line tijdschrift E-view, elektronisch magazine over theater, film, televisie & digitale media, 2004, nr. 1 URL: http://comcom.uvt.nl/e-view/04-1/inhoud.htm)
 
In 2004 verschenen een aantal publicaties die de veelzijdigheid van de Nederlandse film belichten. Hier volgt een korte bespreking van twee boeken uit deze stapel aanwinsten: Film in Nederland en Van Fanfare tot Spetters.
 
De grabbelton
In zijn voorwoord op Film in Nederland vergelijkt Rien Hagen, de toenmalige directeur van het Filmmuseum, het boek met “een stroboscoop die steeds de omgeving even oplicht”. Deze metafoor is prachtig ouderwets, want het boek is natuurlijk gewoon een website die bij wijze van gelukkig toeval heel mooi en volledig uitgeprint is.
De opzet lijkt ook geschikt voor een mogelijke serie columns in bijvoorbeeld de Filmkrant. Het boek lijkt ook wel op een groep filmliefhebbers die aan een cafétafel zit en elkaar (enigszins gehaast en door elkaar heen pratend) hun favorieten en hun losse ideetjes vertelt. Het werkterrein bestaat uit de Nederlandse filmproductie van 1896 tot 2003, waarbij alle genres genereus in aanmerking komen: speelfilm, documentaire, experimentele film, bioscoopjournaals, amateurfilms etc.
Het voordeel van deze in alle opzichten brede opzet is dat de veelzijdigheid van de Nederlandse film goed tot uitdrukking komt, iets wat merkwaardig genoeg nog niet eerder gebeurd is. Pluspunt is voorts dat de korte stukjes in de meeste gevallen smaken naar meer: zowel in verticale richting (meer verdieping) als in horizontale richting (nog meer voorbeelden).
De teksten zijn geen encyclopedische lemma’s, maar meer een reeks bijschriften, in de meeste gevallen informatief. Veel van mijn gekoesterde films worden genoemd, maar onvermijdelijk mis ik meer dan een handvol favorieten. Dit is op zich geen zwaarwegend bezwaar: elke goed ingevoerde lezer kan zelf aan de gang met een uitbreiding naar eigen inzicht.
 
Het nadeel van het boek Film in Nederland is dat het brede publiek waar het boek geschreven voor lijkt te zijn, blijft ronddobberen. De redactie heeft dapper genoeg “De Willekeurige Greep” als organisatieprincipe genomen en een begrenzing geaccepteerd van slechts 200 korte teksten. Dat legt een zware claim op elke bijdrage. Soms is een tekst te hoog gegrepen voor een beginner en tegelijkertijd te laag gegrepen voor de kenner. Kortom, niet elke tekst bezit de kernachtige kracht die vereist is. De drie langere essays aan het slot van het boek hangen er vreemd bij, ze vormen een zware toegift zonder inbedding.
Als sterkste gemis ervaar ik vooral het ontbreken van een handreiking voor nieuwsgierige en enthousiaste lezers over wat ze kunnen doen als ze meer willen weten. Het is ook merkwaardig dat er geen on-line begeleiding wordt geboden, terwijl de hele opzet zich daar toch uitstekend voor leent. Wellicht kan dit gemis nog recht gezet worden?
En verder had de redactie er verstandig aan gedaan om Hans Beerekamp vooraf als corrector in te huren, het zou de moeite waard zijn geweest, gezien zijn waslijst van opmerkingen in Skrien (jrg 36, nr. 4, mei 2004, p 52-53).
De eindconclusie is positief: het boek is een grabbelton waarin het prettig graaien is.
 
 
De legpuzzel 
Hans Schoots kiest in zijn boek Van Fanfare tot Spetters voor een historisch-sociologische benadering van de Nederlandse filmproductie in de periode 1958 – 1980, hij streeft hiermee naar het schrijven van “een cultuurgeschiedenis van de jaren zestig en zeventig” zoals de ondertitel luidt. Binnen deze focus behandelt hij echter wel veel verschillende onderwerpen en springt hij hierbij wel abrupt van de ene invalshoek naar de andere.

Zijn vertrekpunt is de relatie tussen de tijdsgeest en filmproductie, met als eerste markeerpunt de film FANFARE als spiegel van de Nederlandse maatschappij in de jaren vijftig (“de warme deken van nostalgie”). De cinema als thermometer van de tijdsgeest, dat is een glibberig onderwerp zoals we allemaal weten, sinds Siegfried Kracauer zich op dit gladde ijs begaf.
Jos van den Burg zet in zijn boekbespreking (de Filmkrant nr 255, mei 2004) de gebruikelijke mogelijke kritiekpunten nog eens op een rij.
 
Hans Schoots springt na zijn betoog over de maatschappelijke context van FANFARE vervolgens naar een omschrijving van filmcriticus A. Van Domburg, die hij kenschetst als late nazaat van de Filmliga dogma’s en als dankbare Kop van Jut voor de Skoop-generatie. Zijn betoog is selectief, want hij laat bijvoorbeeld de overige Nederlandse filmcritici van de jaren vijftig buiten beschouwing (o.a. Charles Boost, L.J.Jordaan, Jan Brusse, Simon Carmiggelt, Ellen Waller) en zijn betoog is getekend door een emotioneel gekleurde duidingsdrang: de informatie stuwt de lezer naar de bijna onvermijdelijke conclusie dat Van Domburg toch wel een erg belachelijke man moet zijn geweest. Natuurlijk mogen we blij zijn dat zijn soort deftigheid voorbij is, maar waar blijft de nuance en de nuchtere feitenverzameling?
 
Hans Schoots vlindert in zijn boek langs tal van losse wetenswaardigheden, zoals in hoofdstuk twee over de Nederlandse film (en Fons Rademakers in het bijzonder) in relatie tot Vijftigers, Cobra en Pleiners. In hoofdstuk 3 fungeert Skoop als kapstok voor een verhaal over de eerste generaties filmacademiestudenten, plus enkele zijlijnen over Filmweek Arnhem en de Cinétol bioscoop.
Een losse betooglijn hoeft geen bezwaar te zijn, maar zijn conclusies missen eenduidigheid. Zo vertonen de films van de ‘Nieuwe Golf’ volgens hem een gebrek aan straatrumoer (p 72) en ze zijn tegelijkertijd ook een uiting van een algemeen maatschappelijk zichtbaar gevoel van vrijheid, blijheid plus existentiële eenzaamheid (p 74).
Hoofdstuk vier gaat over de seksgolf in de late jaren zestig en vroege jaren zeventig. Deze films kunnen volgens Schoots gezien worden als weerslag van de seksuele revolutie, maar vertonen ook een “verwarrende dialectiek” van emancipatie versus exploitatie en erotiek versus porno (p. 108). Dit is een interessante observatie, die om een nadere uitwerking vraagt.
 
In hoofdstuk vijf weerklinkt een nauwelijks verhulde afkeer van het politiek activisme en het feminisme van de jaren zeventig, met de Nederlandse Anti Spetters Actie als dieptepunt van Hollandse bekrompenheid. Opnieuw is dit gevoel wel herkenbaar (want wie kan nu nog met droge ogen bijvoorbeeld de eerste jaargangen van Skrien lezen?), maar opnieuw wil ik pleiten voor nuance en een streven naar nuchtere feitenverzameling plus een minimale vorm van onderzoekssystematiek.
Onder de noemer “De gouden jaren” volgt als laatste hoofdstuk een overzicht van enkele filmproducenten (Pim & Wim, Rob Houwer, Matthijs van Heijningen) en enkele filmsterren(Willeke van Ammelrooy, Sylvia Kristel), afgerond met een boeiende slotbeschouwing over SPETTERS.
 
Pluspunt: Schoots levert pionierswerk en zijn teksten zijn prettig leesbaar. Hij biedt een waaier van aanzetten, vermakelijk en vlot geschreven, en vol anekdotes. Minpunt: De bruggen in zijn betoog zijn echter vaak smalle loopplankjes. Schoots strooit met prikkelende grote lijnen, die echter herhaaldelijk betwistbaar zijn en vaak te sterk gekleurd door eigen voorkeuren.
Conclusie: Zijn boek is een legpuzzel met veel missende stukken. Het is te kenschetsen als een inspirerend journalistiek essay, dat een uitdaging vormt aan iedere filmwetenschapper voor het schrijven van een meer systematische studie.
 
 
Zie ook de boekbesprekingen van Hans Beerekamp in de Skrien:
 
Een greep uit overige recente literatuur over de Nederlandse film en filmmakers: