The Patsy (1928)


De actualiteit van de zwijgende film. Een blogtekst van Peter Bosma.
 
The Patsy (King Vidor 1928)

Herontdekking van een film die in vergetelheid was geraakt
Regisseur King Vidor had in 1928 al faam verworven met onder andere de epische oorlogsfilm The Big Parade (1925) en de realistische film The Crowd (1928), over het leven in de grote stad. In hetzelfde jaar 1928 regisseerde hij ook Show people, een milde ironische schets van de filmwereld in Hollywood. The Patsy (1928) behoort tot de minder bekende films uit het oeuvre van King Vidor. Dit is totaal ten onrechte, want ook hier is een hoge mate van vakmanschap zichtbaar.
 
The Patsy werd veertig jaar na de première herontdekt en werd onder andere vertoond tijdens het zevende New York Film Festival in 1969, als onderdeel van het programma ‘Special Events, the National Film Collection’, dat bestond uit 23 recente restauraties van de Library of Congress.

Filmcriticus Richard Koszarski reageerde enthousiast bij het zien van de gerestaureerde film:
“King Vidor’s THE PATSY (1928, and not even listed in the Vidor filmography published in Andrew Sarris’s The American Cinema) proves to be one of Vidor’s most succesful films, a brilliantly witty comedy with multiple gag variations, efforless and uobtrusive camera movements and editing, and fine performances from the entire cast, headed by Marie Dressler and Marion Davies (who proves herself a fine comedienne as a hapless flapper who tries to pry a man away form her overbearing sister).
The sense of marvelous discovery afforded by viewing THE CANADIAN or THE PATSY is enhanced by the thought that they were never on anybody’s list of great classics, and that their restoration to public view is very nearly a happy incident – for how many other obscure films of similar caliber have completely vanished, unknown masterpieces which have disappeared without anybody knowing or caring?”
Bron: Koszarski, Richard, ‘Lost Films from the National Film Collection’, in: Film Quarterly jrg 23 no 2 (winter 1969-70) pp 31-37.
 
The Patsy was pas in 2005 voor het eerst in Nederland te zien, maar dan wel gelijk op de beste manier: met orkestbegeleiding, in de grote zaal, met een goede 35mm kopie, en voorzien van een gloednieuwe score, gecomponeerd door Maud Nelissen.
 
The Patsy is een opgewekte komedie waarin op milde wijze de spot wordt gedreven met burgerlijke conventies van het familieleven. Het verhaal start op een gezapige zondag, een ouder echtpaar en hun volwassen dochters zitten aan de lunch. In enkele trefzekere beelden wordt de gezinssituatie geschetst: de tirannieke moeder, de laconieke vader, de pinnige oudste dochter Grace die kattig kibbelt met haar jongere zus Pat. Eerst twisten ze nog over de afwas, later gaat het om hun liefde voor dezelfde man. Actrice Marion Davies vertolkt op energieke wijze de rol van het jonge zusje. Haar personage maakt een ontwikkeling door van argeloos jong meisje naar een geraffineerde dame. Haar uitstraling heeft in deze film meerdere lagen: spontaan, iets puurs, ongelooflijk charmant en doortastend.
 
Funny Ladies
Marion Davies was in de zwijgende film periode een bekende actrice, tegenwoordig is ze vooral bekend gebleven als het liefje van media-tycoon William Randolph Hearst. Dit komt mede door de roem van Citizen Kane (1941) waarin Orson Welles een krantenmagnaat opvoert die verdacht veel wegheeft van Hearst. Ook in het echt was bij Hearst immers sprake van een getrouwde man die verliefd wordt op een jongere vrouw, die hij voorzag van geld en gratis publiciteit en die hij dwong tot het aanvaarden van de verkeerde rollen.
De filmcarrière van Marion Davies zou je kunnen beschouwen als een chronisch geval van miscasting in talloze statige kostuumdrama’s. Haar eigen visie hierop komt tot uitdrukking in haar autobiografie ‘The Times We Had’ (1975).

Tegenwoordig mag ze zich verheugen in een eigen fanclub op internet en een hernieuwde internationale belangstelling van filmprofessionals, zoals bleek uit het programma ‘Funny Ladies’ van het festival Giornate del Cinema Muto (2000).
Er bestaat onder filmhistorici een algemene consensus dat Marion Davies het best tot haar recht komt in de twee zwijgende films die ze met regisseur King Vidor maakte. Naast The Patsy is dat Show People (1928), een filmkomedie die een ironische blik op het leven in Hollywood geeft. Marion Davies speelt een hartelijk jong meisje dat via haar succes in slap stick komedies uitgroeit tot een veeleisende diva in dramatische films, waarbij een tamelijk directe imitatie van Gloria Swanson niet geschuwd wordt. Charlie Chaplin heeft een sympathieke cameo rol als zichzelf.

King Vidor moet een hartelijke man zijn geweest en Marion Davies moet voldoende zelfkennis hebben gehad om zoveel zelfspot met zoveel verve op het doek te zetten. Ook in The Patsy zit een persiflage op het stardom van die dagen: in een memorabele scène fladdert Marion Davies rond in de slaapkamer van een playboy die totaal uitgeteld op zijn stoel zijn roes ligt uit te slapen. Om zijn aandacht te trekken (en ook om zichzelf te amuseren) gaat ze beroemde filmactrices nadoen in de spiegel: Lillian Gish, Mae Murray en Pola Negri passeren de revue. Het is een dartele, vrolijke scène, ook voor de toeschouwers die onbekend zijn met de betreffende diva’s.
 
The Patsy is een komedie met pit en dat is ook mede te danken aan de indrukwekkende Marie Dressler, ook een ‘Funny Lady’, die kon bogen op jarenlange ervaring in de slapsticks van Mack Sennett. In 1928 beleefde ze een comeback, na een langslepend arbeidsconflict. In de daaropvolgende jaren verwierf ze een grote populariteit. We kennen haar onder andere uit de komedie Dinner at Eight (George Cukor 1933). Ook haar kleurrijk levensverhaal is terug te lezen, ze publiceerde zelfs twee autobiografieën, ‘The Life Story of an Ugly Duckling’ (1924) en ‘My Own Story’ (1934).
 
Een nieuwe score
The Patsy werd in 2003 voor Turner Movie Classics voorzien van een score door de Amerikaan Vivek Maddala. Componiste Maud Nelissen wilde het in 2005 helemaal anders aanpakken en gaf de volgende toelichting.
“Ik wil de filmbeleving van de toeschouwer in de zaal versterken en verdiepen met muzikale ondersteuning, de aanwezige ironie en humor uitlichten, zonder hierbij te vervallen in Mickey Mousing, de begeleiding moet geen letterlijke illustratie worden. De karakters en de onderlinge verhoudingen van de personages keren gemoduleerd terug in de score.
Een voorbeeld: de oudste dochter laat zich kennen als een vals kreng, in deze aanleg lijkt ze erg op haar moeder. Dit verband wordt muzikaal subtiel ondersteund. Een ander voorbeeld is de sterke band die de jongste dochter heeft met haar vader, hun verstandhouding krijgt een apart thema dat een lijn trekt door de hele film heen. Ook de playboy Billy met zijn snelle speedboat en zijn grote huis krijgt een apart verleidingsthema.
Daarnaast worden sommige scènes muzikaal aangekondigd, de gehele score accentueert het ritme van de film: de tempoversnellingen en de omslagen in het verhaal. Een stemmingwisseling kan subtiel benadrukt worden door middel van verandering van toonsoort. De muziek brengt de (letterlijk) onuitgesproken gevoelens tot uitdrukking. De muziek versterkt vooral de identificatie met de karakterontwikkeling van de titelfiguur, The Patsy. Haar naam is een verbastering van Assepoester.”
 
Eerbetoon aan de dansmuziek van de jaren twintig
Met haar score wil Nelissen de sfeer van 1928 oproepen, voorzien van een eigen stempel. Ze heeft uitgebreid research gedaan. Een Amerikaans filmarchief (het George Eastman House, International Museum of Photography and Film, Rochester/ New York) gaf haar de beschikking over de oorspronkelijke ‘cuesheet’ uit 1928, een lijst van aanbevolen composities, een opsomming van deuntjes, tophits en een enkel klassiek thema (o.a. Bizet). Waardevol materiaal, hoewel Nelissen slechts enkele van de genoemde nummers daadwerkelijk heeft gebruikt.
“Met mijn muziekscore wil ik een eerbetoon geven aan de (blanke) jazzmusici van eind jaren twintig en begin jaren dertig, aan hun veelzijdigheid en vakmanschap en hun manier van spelen: een geweldige lyrische, persoonlijke toon. Bij de samenstelling van het orkest heb ik gestreefd naar een reconstructie van een historische bezetting, bijvoorbeeld het dansorkest van Paul Whiteman.
De roemrijke traditie van de Amerikaanse dansorkesten komt in The Patsy ook in beeld, tijdens de dansavond in de Yachtclub.” Nelissen citeert bij deze humorvolle scène twee nummers van het orkest van Jimmy Lunceford, onder andere een hit uit 1928 ‘Four of Five Times’. “Naast dansmuziek heb ik ook research gedaan naar de populaire songs van die tijd, met destijds beroemde zangers als Fred Ahlert, muziek met een warme gloed. Simpel en doeltreffend, ijzersterk.”
 
De líefde
In de score komen diverse verhaallijnen tot uitdrukking, met als rode draad het liefdesverhaal van The Patsy en de door haar beminde Tony. “De romantische lijn komt tot uitdrukking in een liefdesthema, ontleend aan ‘Can’t help falling in love with this man’, een song uit de theatermusical (en film) Showboat (1927), met muziek van Jerome Kern en tekst van Oscar Hammerstein. Dit liefdesthema heeft een lichte toon van tragiek, met zelfs een kort moment van hartverscheurend diep verdriet als Pat voor het raam staat, haar ogen gevuld met tranen: haar zus rijdt weg met Tony, alles lijkt verloren…”

De humor overheerst echter in The Patsy en de droogkomische tussentitels zetten de toon. Ze zijn met name hilarisch van aard als Pat een stapel bizarre zelfhulpboekjes gaat lezen, gericht op het aankweken van een ‘personality’.
“De ruim tweehonderd tussentitels vergen een eigen aanpak, muzikaal moet het hier niet te heftig en ingewikkeld aan toegaan anders wordt de kijker te veel afgeleid van het lezen. In sommige scènes gebeurt veel tegelijkertijd, The Patsy is een dynamische film. De gespannen gezinsverhoudingen, het thema van verleiding in verschillende gradaties van ernst, en het liefdesthema, met een groei van kalverliefde naar oprechte liefde. De vele woedeuitbarstingen dienen als tussentijdse markeringspunten, de climax ligt in het happy end.
Ondanks het kluchtige karakter heeft het verhaal van de film toch een zorgvuldige onderliggende spanningsopbouw. De beelden zijn goed gemonteerd, ze hebben een ritme waar goed muziek bij te passen is. De filmvertoning willen we de magie van een live-uitvoering in de grote zaal meegeven”
 
De magie van een live-uitvoering
De kopie werd gerestaureerd door de firma Photoplay, met medewerking van filmhistoricus Kevin Brownlow. Hun advies was een projectiesnelheid van 18 beeldjes per seconde, wat resulteert in 75 minuten projectietijd. Op het cue-sheet stond echter een advies van ‘maximaal 85 minuten'. Na overleg werd besloten tot een projectiesnelheid van 20 b/s (80 minuten).
Voor de begeleiding van The Patsy wordt het ensemble The Sprockets uitgebreid tot het twaalfkoppige Orchestra del Camera Oscura, dat bestaat uit vier strijkers, vijf blazers en een ritmesectie (banjo, slagwerk). Elke musicus bespeelt meerdere instrumenten en beschikt over een groot improvisatietalent. Dirigent Mark Fitz-Gerald is een oude rot in het vak, hij stond voor het orkest bij onder andere de Russische zwijgende films New Babylon en Odna.

Een sprankelende film verdient een sprankelend voorprogramma. The Sprockets onder leiding van Maud Nelissen kozen drie films uit hun repertoire van voorstellingen voor de kleine zaal. Alledrie verdienen ze een groot publiek.
- Un Locataire Diabolique (George Méliès, 1909) is een groteske goocheltruc waarbij een heel interieur, compleet met bewoners, op energieke wijze uit een koffer getoverd wordt. De kopie is prachtig ingekleurd.
- Onésime et le Coeur du Tzigane (Jean Durand, 1913) is een onbekende prille slapstick, een improvisatie op de vraag: Wat kan er zoal gebeuren als je een komiek (de Fransman Jean Bourbon in dit geval) met een paar aangevers op een badplaats loslaat?
- Liberty (Leo McCarey, 1929) is één van de laatste zwijgende films die Laurel & Hardy maakte (en meteen ook één van hun beste). Ze lopen langs een wolkenkrabber in aanbouw en dat resulteert in een geweldige uitbarsting van hilarische, halsbrekende toeren.

Gezien op 19 april 2005 in Utrecht, Muziekcentrum Vredenburg. Met een score van Maud Nelissen, uitgevoerd door l’Orchestra del Camera Oscura (dirigent Mark Fitz-Gerald). Georganiseerd door Film in Concert (Theodore van Houten).

Noot
Delen van deze tekst verscheen eerder in mijn artikel: ‘Componist Maud Nelissen over The Patsy’ in: Skrien jrg 37, nr 3 (april 2005), p 29.
 
The Patsy
VS, 1928 (80 min., 20 b/s). Regie King Vidor. Met: Marion Davies (Pat), Marie Dressler (haar moeder), Dell Henderson (haar vader), Jane Winton (haar zus Grace), Orville Caldwell (Tony), Lawrence Gray (play-boy Billy). Gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Barry Conners.
Score van Maud Nelissen, uitgevoerd door l’Orchestra del Camera Oscura (dirigent Mark Fitz-Gerald).
Voorprogramma: ONÉSIME ET LE COEUR DU TZIGANE (Jean Durand, 1913), UN LOCATAIRE DIABOLIQUE (George Méliès, 1909), LIBERTY (Leo McCarey, 1929). Muziek : Maud Nelissen, The Sprockets.
Tournee in 2005: 13 april Den Bosch, Theater aan de Parade; 14 april Hoorn, Schouwburg Het Park; 15 april Den Haag, Dr. Anton Philipszaal; 16 & 17 april Amsterdam, Tuschinski; 19 april Utrecht, Muziekcentrum Vredenburg.
 
Meer lezen over The Patsy:
- Koszarski, Richard, ‘Lost Films from the National Film Collection’, in: Film Quarterly jrg 23 no 2 (winter 1969-70) pp 31-37.
- King Vidor - autobiografie ‘A Tree is a Tree’ (1954).
- Marie Dressler – autobiografie ‘The Life Story of an Ugly Duckling’ (1924) autobiografie ‘My Own Story’ (1934).
http://www.moviediva.com/MD_root/reviewpages/MDThePatsy.htm (review, march 2004)
www.decofilms.com/mariondavies/news.htm
www.sprockets.nl

  • De Amerikaanse componist Vivek Madala maakte een andere nieuwe score bij THE PATSY, in opdracht van Turner Classic Movies, zijn aanpak is te horen op de website van TCM, waar enkele fragmenten beschikbaar gesteld zijn. URL: www.tcm.com/mediaroom/index/?cid=243978#player_area.
  • The Patsy werd vertoond in Filmhuis Den Haag op 17 september 2012, met een begeleiding van Wim van Tuyl (piano), in het kader van ‘Silent Blondes’.

Interview met Maud Nelissen
“Een van Nelissens meest dierbare projecten tot nu toe was The Patsy, de flapperkomedie uit 1928 waarmee actrice Marion Davies, de eeuwige geliefde van krantenmagnaat William Randolph Hearst, bewees een uitstekende comedienne te zijn. Vol enthousiasme vertelt Nelissen over de score voor deze zwijgende komedie: ‘Ja, dat was bijzonder leuk om te doen. Die film speelt zich af in 1928 aan de westkust van de Verenigde Staten. Daar heb je te maken met de witte Amerikaanse dansorkesten en ik heb dus heel veel research gedaan naar dansorkesten en de muziek uit die tijd. Wat ik leuk vond was dat er een aantal nummers in de film zit waarop gedanst wordt en die een hit waren in 1928 en daar heb ik weer een bewerking van gemaakt. De bezetting bij die film is voor de helft strijkers en voor de helft een jazzorkest. Als je die bezettingen van die dansorkesten bekeek, dan zaten er sowieso musici in die minstens drie instrumenten tegelijk bespeelden. Het was een jazzbezetting met daarnaast veel strijkers en dat maakte het wel heel bijzonder.’ Reeds bestaande muziek naast nieuw te componeren stukken, dat is bij veel zwijgende films het geval, ook bij The Patsy. ‘Ik heb onder andere van het orkest van Jimmie Lunceford een nummer Four or Five Times overgenomen, omdat het zo goed paste bij de beelden dat ik dacht, dit kan ik niet beter dan wat hij heeft gemaakt.’ “
Bron: Paul Stevelmans, interview met Maud Nelissen, in Score 147 (30 juni 2008), URL: www.score-magazine.nl/modules.php?name=News&file=article&sid=552.
 
The Patsy werd in 2017 vertoond in de openluchtvoorstellingen van het festival Cinema Ritrovato in Bologna, begeleid door Maud Nelissen en haar ensemble The Sprockets. Deze versie was eerder dat jaar uitgevoerd bij een vertoning op het Hippodrome Silent Filmfestival in Bo’ness (UK).
 
In de catalogus van Cinema Ritrovato schrijft Kevin Brownlow:
“The Patsy is a superb example of how a play can be transferred to the screen without one being aware of its origins. But sound had arrived the year before. You would think that film-makers would struggle to reduce the titles, whereas so often the opposite happened. There are a hail of titles in The Patsy, most of which, luckily, are very funny – they were the work of the top title-writer of the day, Ralph Spence, although he had a Connors play to provide extra ammunition. Admittedly, one of the best ever made, this is a silent talkie.
“After two or three reels of this one”, said “Photoplay”, “the director tossed away his script – maybe his megaphone too – and turned the picture over to Marion Davies. Which was a very smart thing to do, for when Marion cuts loose with clowning the result is that sort of comedy which reflects its results in crowded theaters”. Incidentally, Charlie Chaplin voted The Patsy the best film of the year.”
Bron: https://festival.ilcinemaritrovato.it/en/film/the-patsy-3/