Asphalt (1929)


De actualiteit van de zwijgende film. Een blogtekst van Peter Bosma.
 
Asphalt – Joe May, 1929

Spitsuur
In de openingsbeelden van ASPHALT worden twee werelden naast elkaar gezet: aan de ene kant de huiselijke sfeer van een bejaard echtpaar en hun volwassen zoon, aan de andere kant de wereld van de straat, het asfalt in de grote stad.
De proloog van ASPHALT kan gelden als een metafoor voor de Europese metropool in de jaren twintig: we zien dynamische straatbeelden, een druk kruispunt waar een jonge agent trots het verkeer staat te regelen. Hij is een rots in de branding van een kolkende massa anonieme voetgangers en automobilisten.
Het is een gedrang van jewelste op de trottoirs en op straat wringen de voertuigen zich bumper aan bumper een weg.
Zien we een schrikbeeld van een losgeslagen meute, of een ideaalbeeld van kosmopolitische dynamiek of gewoon de neutrale realiteit? We zien in elk geval een spannend verhaal: want de jongeman wordt uitgetest.

Het noodlot ligt op straat
 “ASPHALT lijkt een zogenaamde “Strassenfilm” over de grote stad Berlijn en haar verleidingen. De film begint in de stijl van films als DIE STRASSE (1923) van Karl Grune. Na een Querschnitt-montage van documentaire straatbeelden op de wijze van BERLIN. DIE SINFONIE DER GROSSSTADT (1927) volgt een scène waarin de moderne, decadente stad letterlijk tegenover het kleinburgerlijke bestaan wordt geplaatst. Tegenover het razende verkeer staat de kooi met de kanarie in de rustige huiskamer van de familie Holk.
In de daaropvolgende scène is Albert, de zoon van de familie, de centrale figuur. Hij is de jonge angent die middenop het drukke kruispunt het verkeer staat te regelen. Hij is “de heerser over het Asfalt, wiens wit gehandschoende hand de verkeersstroom in goede banen leidt.”
(Bron: Paul van Yperen, Kroniek van de Stille Film, Koninklijk Filmarchief, Brussel).
 
Filmproducent Erich Pommer ziet het beeld van een drukke straat vooral als metafoor voor hoe in de grote stad het noodlot letterlijk op straat kan liggen:
“Betrachtet man nun im einzelnen das Leben in einer Strasse, so kann diese reine Passage sein, es kann ebenso die Stimmung schicksalhaft in das Leben jedes Menschen eingreifen. Dann ist diese Strasse nicht mehr Umgebung, nicht mehr Hintergrund; ein Schicksal reisst auf, der Weg eines Menschen wird verändert, natürlich, einfach und doch unerklärlich. Eine Kulisse lebt auf, ihre Ausstrahlungen ändern das Leben eines Menschen.
Die Strasse wird dann ein Symbol des menschlichen Lebens - ein unendliches Ineinanderfluten von Schicksalen.”
(Bron: programmablad bij de première, maart 1929)
Vrij vertaald stelt producent Pommer hier dat het openingsbeeld van het verkeersgedrang op straat gezien kan worden als een metafoor voor de willekeur van het noodlot dat ons leven bepaalt.
 
ASPHALT ging op 12 maart 1929 in première (dat is twee jaar later dan BERLIN van Ruttmann). Hoe werd ASPHALT destijds ontvangen in Duitsland?
Ik beperk me tot één reactie, een positieve recensie van filmcriticus Siegfried Kracauer (Frankfurter Zeitung 28-3-1929). Hij roemt de psychologische diepgang van de hoofdpersonages. Een simpel verhaal wordt in zijn optiek “ein detailliertes seelisches Röntgenbild”, een gedetailleerde röntgenfoto van de ziel. Ook roemt hij het vakmanschap: “technisch vorzügliche Leistung”. Hij heeft wel bezwaar tegen de kleinburgerlijke moraal van het verhaal.
 
De ontvankelijke jongeman en de verleidelijke vamp
ASPHALT is een grootstedelijk verleidingsdrama en is als zodanig ook te beschouwen als een voorloper van de Amerikaanse film noir.
ASPHALT is geheel in de studio opgenomen. De openingsbeelden vergen een uitgekiende choreografie van camera, acteurs, figuranten en voertuigen. Dit lukt goed: de toeschouwer wordt bijzonder vakkundig meegesleept in het verhaal over gretige juwelendieven, de verkeersagent en zijn femme fatale.
Acteur Gustav Fröhlich vertolkt de rol van een iets te ontvankelijke frisse jongeman op een adequate wijze. Hij speelde enkele jaren eerder ook een hoofdrol in METROPOLIS van Fritz Lang (1925), Gustav Fröhlich is in deze film veel dramatischer van gebaar en mimiek. In vier jaar is hij een zichtbaar betere filmacteur geworden, met meer nuance en subtiliteit.
 
Wat betreft de kracht van het kleine gebaar vinden we een geweldig sterk voorbeeld bij de vertolking van de vaderrol in ASPHALT. We zien hier de zeer ervaren acteur Albert Steinrück aan het werk. Hij weet heel ingehouden zijn scènes een lading te geven, binnen de beperking van een kleine huiskamer. Zijn speelruimte is strak afgebakend door een schemerlamp, een eettafel en een vogelkooi.
Actrice Betty Amann is uitstekend gecast als de femme fatale, want ze gooit zich vol overgave in deze dankbare rol. Ze speelt met verve een hoogst verleidelijke vrouw, een echte vamp.
De catalogus van het Filmfestival Berlijn in 1995 wordt bepaald lyrisch als deze actrice besproken wordt: “Betty Amann als Else ist nicht nur wunderhübsch - sie versteht ihre Verfuhrungskunste, ihre schlangenhafte Lieblichkeit, ihre glitzernde erotische Intelligenz vor allem schauspielerisch zur Geltung zu bringen.”
Merkwaardig genoeg heeft ze geen naam gemaakt, haar verdere acteercarrière nam na Asphalt geen hoge vlucht.
 
De vakman achter de schermen
Tot slot richten we de spotlight op de relatief onbekend gebleven regisseur van ASPHALT, Joe May. Wie was regisseur Joe May? Hij werd in 1880 geboren als Julius Mandl in Wenen. Hij trouwt met actrice Mia May en komt dankzij haar in 1911 in Hamburg voor het eerst in aanraking met film. Kort daarna regisseert hij melodrama’s als DER MANN IM KELLER (1914).
Na de Eerste Wereldoorlog wordt hij een productieve producent en regisseur. Hij specialiseert zich in monumentale films als VERITAS VINCIT (1918) en grootschalige exotische avonturenfilms als DIE HERRIN DER WELT (1919) of DAS INDISCHE GRABMAL (1921). Deze laatste film wordt altijd genoemd in combinatie met Fritz Lang, die samen met zijn toenmalige echtgenote Thea von Harbou het scenario schreef. Fritz Lang is tien jaar jonger dan Joe May en is ook afkomstig van Wenen. Wellicht fungeerde Joe May destijds als een soort mentor?

In de jaren twintig maakt Joe May opnieuw een serie meeslepende melodrama’s. Voorbeelden zijn o.a. TRÄGODIE DER LIEBE (1923, met Emile Jannings), HEIMKEHR (1928) en zijn laatste zwijgende film ASPHALT (1929, producent was Erich Pommer, die toen al in Amerika woonde). Met de komst van het geluid in 1929 specialiseert Joe May zich in de operettefilm. Hij maakt er een stuk of vier. Deze vage aanduiding komt voort uit het feit dat er vaak verschillende taalversies gemaakt werden, bijvoorbeeld de Duitse versie heet ZWEI IN EINEM AUTO, de Franse versie heet PARIS - MEDITERRANEE, en de Engelse versie heet INTO THE BLUE. Een ander voorbeeld: de Duitse versie heet EIN LIED FÜR DICH, de Franse versie heet TOUT POUR L’AMOUR.

In 1934 vlucht Joe May naar het buitenland. Producent Erich Pommer haalt hem naar Hollywood, waar hij bij de Universal-studio naast enkele B-films ook werkt aan de operette-musical MUSIC IN THE AIR (1934, met Gloria Swanson, de beroemde filmdiva op haar retour, ze schittert nog één keer in SUNSET BOULEVARD, van Billy Wilder, 1950). MUSIC IN THE AIR werd overigens helaas een commerciële flop. Toch waren de muziek en liedjes afkomstig van het duo Jerome Kern en Oscar Hammerstein, die later meer succesvol zijn, o.a. met SOUND OF MUSIC (1965) - dat was natuurlijk wel ruim dertig jaar later. De meest succesvolle Amerikaanse film van Joe May is THE INVISIBLE MAN RETURNS (1940), een ‘sequel’ van THE INVISBLE MAN uit 1933, geregisseerd door James Whale (ook een emigrant/regisseur, uit Engeland).
De carrière van Joe May raakt in het slop en rond 1948 is hij een vertwijfelde emigrant, zonder werk en inkomen. Hij overlijdt in 1954 op 74-jarige leeftijd en raakt vervolgens in vergetelheid. In 1990 wordt echter een filmwetenschappelijk congres aan hem gewijd, in Hamburg. Hieruit is een boekpublicatie voortgekomen.
 
De film leeft voort
De Deutsche Kinemathek heeft ASPHALT in 1995 gerestaureerd. Men had in het filmarchief in Moskou een kopie van ASPHALT ontdekt die vollediger was dan alle tot dan toe bekende kopieën. Het scheelt bij elkaar ongeveer 10 minuten, met als relativering dat het vooral gaat om teruggevonden tussentitels.
De gerestaureerde kopie werd in 1995 gepresenteerd tijdens het filmfestival van Berlijn, begeleid door de Brandenburgische Philarmonie Potsdam.
 
ASPHALT op video dvd
In 2002 verscheen in de serie Deutsche Stummfilmklassiker een koopvideo van de film, met muzikale begeleiding gecomponeerd door Karl-Ernst Sasse. De videobox Deutsche Stummfilmklassiker bestaat uit negen recente restauraties, voorzien van muzikale begeleiding: DAS CABINET DES DR. CALIGARI; DER GOLEM; NOSFERATU, EINE SYMPHONIE DES GRAUENS; DR. MABUSE, DER SPIELER; DIE NIBELUNGEN; METROPOLIS; FAUST, EINE DEUTSCHE VOLKSSAGE; ASPHALT.
De dvd is uitgegeven door Transit Film, met medewerking van de Murnau Stiftung. Het Britse label Eureka Film heeft in 2005 ook een versie uitgegeven, in hun serie Masters of Cinema, met een score van Karl Ernst Sasse. Ook verkrijgbaar bij het Amerikaanse label Kino Video.
Zie o.a. www.eurekavideo.co.uk/moc/catalogue/asphalt/essay/ & www.kino.com
 
Fragmenten beschikbaar op You Tube:
www.youtube.com/watch?v=rfOcrHd2FuY (Opening City Scenes)
www.youtube.com/watch?v=VNaF29AoUg8&feature=related (The Beauty of Betty Amann)
 
Asphalt, Duitsland 1929, 94 min. (2475 meter, 35mm).
Regie: Joe May. Producent: Eric Pommer. Met: Betty Amann, Gustav Fröhlich, Albert Steinrück.

Gezien op 29 november 2001, begeleid door Günter Buchwald (piano en viool) in Lantaren/Venster (onderdeel van het programma ‘De metropool in het Interbellum, Reis naar Berlijn’, in het kader van Rotterdam Culturele Hoofdstad 2001).
Tevens gezien op 9 januari 2011 in LantarenVenster, begeleid door Yvo Verschoor (piano). Zie www.yvoverschoor.nl. 
 
Gebruikte literatuur
- Tim Bergfelder & Sue Harris & Sarah Street, ‘The Composite City: Narrative and Set Design in ASPHALT’, in: ibidem, Film Architecture and the Transnational Imagination: Set Design in 1930s European Cinema, Amsterdam: Amsterdam UP, 2007, pp. 117-125.
- Hans-Michael Bock & Claudia Lenssen (eds.), Joe May, Regisseur und Produzent, München: Edition Text Kritik, 1991.
- Günther Dahlke & Günter Karl, ‘Asphalt’, in: Deutsche Spielfilme von den Anfängen bis 1933. Ein Filmführer, Berlijn: Henschelverlag, 1988, pp 181-182.
- Gero Gandert (red.), ‘Asphalt’, in: Der Film der Weimarer Republik 1929. Ein Handbuch der zeitgenossischen Kritik. Berlijn/New York: Walter de Gruyter/ Stiftung Deutsche Kinemathek, 1933, p. 28-33.
- Hans Günther Pflaum, ‘Asphalt’, in: Deutsche Stummfilmklassiker, Wiesbaden: Friedrich Murnau Stiftung, 2002, pp 147-159.
- Gordon Thomas,’The sweet smell of Asphalt. Rediscovering Joe May's 1929 Masterwork’, in: Bright Lights Film Journal no 54 (november 2006). URL: www.brightlightsfilm.com/54/asphalt.htm
- Paul van Yperen – ‘Asphalt’ in: Kroniek van de Stille Film (nr. 32), Brussel: Koninklijk Filmarchief, 1995.
www.dvdbeaver.com/film/DVDReviews10/asphalt_.htm.
- Bastiaan Anink, ‘Schatten uit het Filmmuseum: Tussen Gassendrama en film noir. Het affiche van Asphalt’, in Skrien jrg 36, nr 10 (december 2004/januari 2005) p 13.
 
Geselecteerde achtergrondliteratuur rondom de Weimar cinema
- Calhoon, Kenneth S. (red.), Peripheral Visions. The Hidden Stages of Weimar Cinema, Wayne State UP, 2001.
- Eisner, Lotte, Die dämonische Leinwand, Fischer, 1975. Oorspr. Parijs 1952, L’écran démoniaque.
- Elsaesser, Thomas, Weimar Cinema and After. Germany’s Historical Imaginary, Londen/New York: Routledge, 2000 (Duitse vertaling: Das Weimarer Kino. Aufgeklärt und doppelbödig, Berlijn: Verlag Vorwerk 8, 1999).
- Hardt, Ursula, From Caligari to California: Eric Pommer’s Life in the International Wars, Oxford: Berghahn Books, 1996.
- Petro, Patrice, Joyless Streets. Women and Melodramatic Representation in Weimar Germany, Princeton: Princeton UP, 1989.
- Wedel, Michael (red), A Second Life. German Cinema’s First Decades. Amsterdam: Amsterdam UP, 1996.
 
Deze tekst verscheen in gewijzigde vorm eerder als ‘Filmgeschiedenis onder handbereik (ASPHALT, Joe May, 1929)’, in: Roest, tijdschrift voor geschiedenis en cultuur, nr. 16 (april 2003), blz. 67-69.