EYE - biografie Andor von Barsy


Biografie Andor von Barsy
door: Rommy Albers, Senior Curator EYE Film Instituut Nederland

Andor von Barsy (1899 - 1965)
Andor von Barsy werd op 14 maart 1899 in Boedapest geboren, ten tijde van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. Kort na de Eerste Wereldoorlog vertrok hij naar München om er cinematografie te studeren aan de Staatliche Höhere Schule für Fototechnik In 1923 maakte hij als student, samen met regisseur J. Pelerin, zijn eerste korte productie: Per aspera ad astra.

1928: De stad die nooit rust
Nadat hij zijn studie had afgerond vertrok Von Barsy naar Nederland en vestigde zich in Rotterdam. Hij kwam in dienst bij de productiemaatschappij Transfilma, opgericht door o.a. de uit Duitsland afkomstige Friedrich von Maydell. In 1928 maakte Transfilma voor de Rotterdamse haven de opdrachtfilm De stad die nooit rust, een dynamisch portret van de werkzaamheden in een van de grootste overslaghavens ter wereld. De regie was in handen van Von Maydell, Von Barsy tekende voor het camerawerk. De film werd geprezen om zijn fotografie en veelvuldig vertoond op internationale tentoonstellingen en beurzen.

1929: Hoogstraat

In 1929 maakte Von Barsy een vrije productie over de Rotterdamse winkelstraat Hoogstraat, waarbij hij zich liet inspireren door  Walter Ruttmanns spraakmakende Berlin, die Sinfonie einer Großstadt (1927). De productie kreeg de titel Hoogstraat - een absolute film en is door het gebruik van ongewone beelduitsneden, de nadruk op ritme, beweging en licht en schaduw een van de hoogtepunten van de Nederlandse avant-gardefilm.

1929-1942: cameraman voor de Nederlandse film
In de jaren dertig groeide Von Barsy uit tot een van de meest veelzijdige cameramannen van Nederland. Behalve documentaire- en opdrachtfilms (zoals Hans Richters Van bliksemschicht tot televisie voor Philips uit 1936) draaide hij ook speelfilms. De eerste was De maarschalkstaf (1929) van Luc Willink. Daarna volgden onder andere Zeemansvrouwen (1930, Henk Kleinman), Dood water (1934, Gerard Rutten) en Lentelied (1936) van Simon Koster. Voor Dood water kreeg hij van de jury van het filmfestival van Venetië de prijs voor het beste camerawerk. In Lentelied betuigde Von Barsy eens te meer zijn liefde voor de stad Rotterdam, met een op het 'stadssymphonie'-genre geïnspireerde sequentie over de Rotterdamse haven.

Inmiddels had Von Barsy ook naam gemaakt als fotograaf. Werk van zijn hand was bijvoorbeeld te zien op de Antwerpse wereldtentoonstelling van 1930. Zijn foto- en filmwerk maakte vooral indruk vanwege het betoverende spel met licht en de heldere compositie.

1933 - 1945: Duitsland roept
Ook in Duitsland was Von Barsy's faam doorgedrongen; in 1933 en 1934 draaide hij met Slatan Dudow  - een communistisch regisseur die na de machtsovername van Hitler naar frankrijk moest vluchten - de speelfilm Seifenblasen. In 1936 werd hij - als een van dertig cameramannen -  door Leni Riefenstahl geëngageerd voor haar tweedelige film Olympia (1936-1938), een imposant verslag van de Olympische Spelen van Berlijn. Von Barsy werd vooral ingezet voor het maken van stemmige beeldimpressies. Intussen draaide hij in opdracht van het Rotterdamse havenbedrijf een tweede lange promotiefilm: Tusschen aankomst en vertrek (1938), een geluidsfilm waarvoor Anton Schweitzer de muziek componeerde.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Von Barsy in Duitsland en draaide hij voor Viktor von Collande een van de eerste Duitse kleurenfilms, de komedie Das Bad auf der Tenne (1943). De film was bedoeld om in zware oorlogstijden het moraal van de Duitse bevolking op te vijzelen. 

Latere jaren: docentschap, experimenten
Na de oorlog vestigde Von Barsy zich in München, waar hij docent werd aan het Deutsches Institut für Film und Fernsehen. Hij draaide diverse opdrachtfilms en voor Bayerisches Fernsehen waar hij in de begintijd ook adviseur was, werkte in die tijd ook als fotograaf, samen met zijn vrouw Ruth von Barsy-Gossert]; als avant-gardistisch filmmaker die het experiment niet schuwde had hij weinig op met de Duitse amusementsfilm.

Von Barsy draaide nog wel enkele documentaires, onder andere voor Herbert Seggelke. In 1957 was hij actief voor oudgediende Gerard Rutten toen deze in Nederland het levensverhaal van Anthony Fokker verfilmde: De vliegende Hollander. Ruttens biografische vertelling bleek weinig succesvol, in tegenstelling tot een andere productie waarvoor Von Barsy dat jaar achter de camera stond, Jonas van Ottomar Domnick. Deze experimentele speelfilm werd in 1958 vertoond op de EXPO '58, de befaamde wereldtentoonstelling in Brussel. Voor zijn camerawerk ontving Von Barsy de 'Filmband in Silber', de officiële Duitse staatsfilmprijs.

Tot het einde heeft hij gewerkt, als fotograaf en cameraman. Hij hield zich voornamelijk bezig met filmtechnische experimenten en de techniek van de kleurenfotografie en bovenal stereofotografie, al vanaf eind jaren dertig, en publiceerde hier ook een boek over. Een van zijn laatste activiteiten als cameraman was voor Ottomar Domnicks experimentele speelfilm Gino (1960).
 
Andor von Barsy overleed op 24 december 1965 in München. Hij was een van Nederlands  bekwaamste en meest invloedrijke cameramannen in de jaren tussen 1925 en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.