De canon-vorming



door Peter Bosma
oktober 2011

Ter inleiding

De algemene discussie over canonvorming in de kunstwereld cirkelt rond de omschrijving van breed gedeelde waarderingen van het culturele verleden. Het accent kan hierbij onder andere liggen op het didactische nut (de canon is dan een beredeneerde keuze van basiskennis, een shortlist van schoolvoorbeelden) of op de sociale waarde (de canon is dan een paklijst voor de gemeenschappelijke culturele bagage, een spiekbrief voor het collectieve geheugen).
Het probleem hierbij is dat kennis van het verleden nooit neutraal is en dat waarderingen per definitie subjectief zijn. Het samenstellen van een canon zal dus onvermijdelijk altijd discussie opleveren en er valt veel voor te zeggen dat deze discussies zinvoller zal kunnen zijn dan de eregalerij zelf. 

 
De ‘Canon van Nederland’ probeerde de nationale geschiedenis in trefwoorden van twitterlengte te vatten (voor meer nuace zie www.entoen.nu). Dit initiatief is met nobele intenties opgezet en uitgevoerd in de periode 2005-2007, maar helaas resulteerde dit slechts in een troebele discussie en heeft het voornamelijk voorspelbare Pavlov-reacties opgeroepen bij de verschillende experts en buitenstaanders.
Een positief effect is wel dat in het kielzog hiervan in de cultuursector ook allerlei canons opbloeien, dat biedt kansen (zie ook Boekman nr 79, zomer 2009).
 
De 'Nederlandse Filmcanon' stelt zich ten doel terug te blikken op de Nederlandse filmgeschiedenis, met als kapstok een lijst van zestien spraakmakende films.
Voor een overzicht zie o.a. http://vorige.nrc.nl/kunst/article1870150.ece/Nederlandse_filmcanon_op_historische_basis.
De lijst van uitverkoren films is wat mij betreft begrijpelijk en respectabel, en vormt echter tegelijkertijd een mooi twistpunt.
De uitdaging tot een zinvolle kritische beschouwing is helaas ook hier grotendeels blijven liggen, want een discussie over de samenstelling van de Nederlandse filmcanon is sinds de lancering ervan nauwelijks opgebloeid. Tot nu toe lijkt deze korte eregalerij toch vooral een marketingmiddel te zijn geweest om in september 2007 publiciteit te genereren voor het Nederlands Filmfestival.
Ook het kinderfilmfestival Cinekid zag rond die tijd de publiciteitswaarde van een canon, maar ze hebben het met hun 'Cinekid Klappers' handiger aangepakt. Om te beginnen is dit een lijst van honderd titels van kinderfilms die in Nederland te zien zijn geweest, zowel nationaal als internationaal, ten tweede wordt deze lijst regelmatig bijgesteld, ten derde is er een mix van waarderingen door experts en publiek (de verhouding ligt op 98% - 2%) en ten vierde is er een stevig gewortelde follow-up in de vorm van een dvd-reeks en festivalvertoningen, een website en op den duur ook educatief materiaal.

De internationale filmcanon
Het Britse tijdschrift Sight and Sound kan als een trendsetter gezien worden in de canonvorming in de filmwereld. In 1952 werd de eerste enquête gehouden onder filmcritici en andere filmkenners met de vraag hun top tien van films aller tijden te noemen. Deze opiniepeiling is sindsdien elke tien jaar herhaald en heeft een grote reputatie gekregen. In 2002 werd de zesde editie georganiseerd.
 “In 1952 Sight & Sound polled the world's leading film critics to compile a list of the best films of all time. The magazine has repeated this poll every ten years, to show which films stand the test of time in the face of shifting critical opinion. In 1992 we added a poll of directors asking them for their personal choices. Now, in 2002, the magazine has published its largest poll to date, receiving contributions from 145 film critics, writers and academics, and 108 film directors. The results are intriguing, both for their certainty in choosing intense personal films as the best, and for their lack of agreement about which films of recent times can compete with the greatest.” (www.bfi.org.uk/sightandsound/topten/ )
 
Filmwetenschapper Donato Totaro analyseerde in 2003 de reeks van zes top tien-lijsten en start met de basisvraag hoe de selectie tot stand komt en welke factoren de keuzes beïnvloeden. De eerste voorwaarde is dat films zichtbaar zijn.
[...] “why is it that certain films appear and others do not? An important factor is what I'd call the “omnipotence level” of a film, which refers to a film’s accessibility and visibility. Films which appear regularly on television, have had a long shelf life on home video formats (video, laserdisc, DVD), and screen regularly at repertory theatres, art houses, and school classrooms have a huge advantage over those that do not. When a film is easily available for viewing it opens itself up to critical exposure, which in turn leads to conference papers, essays, and books. A well-rounded exposure from both the academic and popular-commercial front is key to canonization. A case in point is Citizen Kane, incumbent number one on the Sight & Sound poll since 1962, in part because it has always ranked high among film critics/historians, filmmakers, while maintaining a high profile among the average filmgoer (it’s much more likely for an average filmgoer to at least have heard of Citizen Kane, than Battleship Potemkin or The Magnificent Ambersons). It may seem tautological and obvious, but a film can not be canonized unless it is seen frequently, continuously, and over a sustained period of time.”
 
In 2002 stond Citizen Kane voor de vijfde keer op de eerste plaats, ook de overige films in deze recente top tien behoren tot erkende klassiekers. Bij de eerste drie edities werden nog wel enkele recent gemaakte films genoemd, sinds 1982 is de Sight and Sound Top Tien meer een historische canon geworden. De New Yorkse filmmaker en filmcriticus Dan Sallitt gaf in 2002 een verklaring:
“Up to and including the 1972 poll, each list contained several films that had been made within the previous 10 years. Since then, the gap in years between the survey and the films it celebrates has grown wider each decade. The Godfather and The Godfather Part II (1972 and 1974) and 2001: A Space Odyssey (1968) are the most recent items on the 2002 poll. Does this gap indicate a widespread belief that the cinema is in decline? To an extent. Certainly, the rapid ascent of films to the canon in the '50s and '60s reflects the feeling of many cinema lovers of the day that they were living through exciting times. If cinephilia and foreign film distribution are on the rise again (and there are indications that this is so), the Sight & Sound polls aren't yet reflecting the upturn.
A more convincing explanation for the aging of the canon is simply that film criticism has become institutionalized over the course of the last three decades. Film academia has been entrenched in colleges since the '70s and '80s; movie history now hangs over the heads of cinephiles with something of the force of the other arts' intimidating ancestry. Perhaps film appreciation is moving out of its early period, with the inevitable side effect that the canon has become a wee bit stodgy.”
 
Filmwetenschapper Peter Wollen concludeerde tien jaar eerder in 1993 ook al dat de top tien van Sight & Sound meer historische klassiekers bevatte, de canon is in zijn ogen begonnen met te bevriezen. Hij analyseerde wat de veranderingen in de verschillende Sight and Sound-lijsten zeggen over de geschiedenis van de erkende smaak op filmgebied.
De veranderingen in de lijsten worden gecontroleerd door een gezelschap van gate-keepers, dit gezelschap bestaat volgens Wollen uit filmarchivarissen, filmwetenschappers, filmcritici, filmmakers en het filmpubliek (‘film buffs and cultists’). Wollen geeft in tamelijk laatdunkende bewoordingen een kenschets van dit proces:
“[The canon] is patched up and pushed in one direction or another, through a complex process of cultural negotiation among a motley set of cultural gate-keepers and taste-makers. These gate-keepers both influence opinion and make influential practical decisions. [...] The process of cultural negotiation among these many gate-keepers of taste results not only in the surface phenomena of lists and programmes, but also in the crystalissation of an implicit aesthetic paradigma at a deeper level.” (wollen, 1993, 26-27)
 
Wollen onderscheidt drie verschillende fases in de vorming van deze esthetische paradigma’s die ten grondslag liggen aan de canon.
A new cinema will create a new film history with it, perhaps deliberately, perhaps by accident. And we can be sure that, in its absence, the canon will continue to petrify. The art form of the twentieth century will dwindle and die, as stained glass an d tapestry died before it. Only a new revolution of taste can rescue cinema from the jaws of death.” (Wollen, 1993, 28)
 
Janet Staiger besprak in 1985 in een artikel de strategiekeuzes van filmwetenschappers bij de vorming van de film canon. In het begin was de strategie gericht op erkenning van het medium film als kunstvorm (‘politics of admission’), pas na loop van tijd werd het noodzakelijk een strategie te ontwikkelen voor de selectie van een kerngroep en de samenstelling van een rangschikking (‘politics of selection’ ofwel ‘politics of inclusion and exclusion’).
Staiger stelt zich hierbij de volgende vragen:
“[...] by what standards do we make value judgements? What are the political implications of various standards? What ends do these standards promote? How do we, if we are to make selections based on value, choose among the standards? If evaluative standards are for the social good, who determines the social good? Are standards for the society at large, for segments of the society, for individuals? What about those outside a particular hegemonic culture?” (Staiger 1985, p.11).
Staiger stelt dat de vorming van een filmcanon ingebed is in een groter netwerk van invloedrijke factoren. Ze bespreekt de rol van filmwetenschappers en de keuze van films binnen het universitair onderwijs. Ze benadrukt de rol van macht (‘politics of power’): de vorming van een film canon hangt af van wat waardevol gevonden wordt en dit hangt af van welke stem het meeste gezag heeft.
The politics of film canons, however, does not cease at the level of admission or selection of films. Within a capitalist economy (and other economies), politics also exists in the film academy. Not only a canon of films exists but also a canon of literature about film and a canon of film methodologies. [...] Furthermore, networks of taste-makers support those who support them. Achieving recognition for marginal approaches is difficult in part because it threatens the center of power.” (Staiger 1985, pp.18-19).
 
Aanbevolen literatuur filmcanon discussie
zie ook: