Het verschijnsel van internationale filmfestivals


Peter Bosma, februari 2009
Engelse vertaling, zie: www.peterbosma.info/?p=english&english=8.
 
Filmfestivals zijn populair: filmfestivals worden doorgaans goed bezocht en wereldwijd bestaat elke dag van het jaar een keuze uit meerdere opties voor een festivalbezoek. 

‘An exhausting celebration of cinema’
Wat maakt filmfestivals zo bijzonder? Vanuit het perspectief van het functioneren van de kunstwereld zijn filmfestivals een interessant fenomeen, want dit is het podium waarop nieuwste trends gesignaleerd worden op het gebied van internationale filmcultuur en filmkunst, hier kunnen reputaties opgebouwd of afgebroken worden. De wereldwijde circulatie van films heeft een startpunt in het mondiale circuit van filmfestivals. Een filmfestival heeft dezelfde status als een Biënnale in de wereld van beeldende kunst (Venetië, Sao Paulo, Seoul) en een festivalprogrammeur heeft dezelfde functie als tentoonstellingmaker (‘curator’). De vraag is of deze situatie zo blijft, maar laten we eerst de huidige positie van filmfestivals neerzetten.
 
Een filmfestival heeft als wezenskenmerk een buitengewone veranderlijkheid. Elke editie is incidenteel, een al dan niet gelukkige samenloop van omstandigheden. De artistieke keuze is in sterke mate afhankelijk van het beschikbare filmaanbod en de beschikbare bewegingsvrijheid. Dit klinkt als een open deur, maar in de praktijk ziet een festivalprogrammeur zich geconfronteerd met een complex netwerk van externe factoren, zoals de internationale filmmarkt, de internationale rivaliteit tussen festivals, de financiering van het festival en de mate van lokale facilitering.
 
Een filmfestival is een gespecialiseerde microkosmos, een omgeving waar producenten, distributeurs, vertoners, pers en gewone toeschouwers verzameld zijn. Een internationaal filmfestival vormt een eigen wereld van reizende films en reizende toeschouwers, geconcentreerd op een verzamelplek in een beperkte periode. Het festival is een ruimtecapsule die los zweeft van de normale wereld. Tijd en ruimte vernauwen zich tot het festivalterrein en het festivalrooster. Het festival biedt een opeenstapeling van ongewone en intense kijkervaringen, een collectieve ontdekkingsreis. Het is een feest van ontdekking van de nog ongerepte en onbekende cinema, nieuw en/of exotisch. Daarnaast is een filmfestival ook een merkwaardige collectieve uitputtingsslag. De onderlinge verbondenheid van bezoekers en gasten worden uitgedrukt in herkenningstekens als badges, armbandjes en dagkranten. Versimpelend gezegd zijn festivalbezoekers op zoek naar Genot (mooie filmontdekkingen), Glamour (zien & gezien worden, festival ambiance) en Gemak (geen lange rijen bij de kassa of bij de bar, de catering en de toiletten; geen vertragingen of ‘last minute’ wijzigingen in het programma, ruime filmzalen met goede zichtlijnen en perfecte projectie).
 
Een filmfestival heeft vele soorten toeschouwers: fanatieke filmliefhebbers, gelegenheidsbezoekers en professionals. Als het goed is beleeft elke bezoeker zijn of haar eigen unieke en optimale festivalsfeer van opeengestapelde kijkervaringen en leuke ontmoetingen met vrienden en wildvreemden,, plus zo mogelijk ‘a touch of glamourous sensation’. Elk filmfestival biedt een mix van sociale contacten en individuele esthetische extase. Het bezoekersprofiel van filmfestivals is niet eenduidig. Filmliefde (cinephilia) kan een dominante drijfveer zijn voor een bezoek aan een filmfestival, maar het is zeker niet de enige motivatie. Daarnaast bestaan er ook vele soorten van filmliefde, het is een veelsoortig verschijnsel.
 
Cinephilia is not a unified belief system but a series of subjective, overlapping, shifting individual canons held together by advocacy and debate. That’s why I want a proper diversity of festivals – including critic-led ones – to exist.”
Nick James, ‘Editorial’, in: Sight and Sound vol 19, no 11 (november 2009) p.5.
 
‘Branding the film festival experience’
Het ‘product’ van een filmfestival is het programma. Voor de promotie van het programma is het noodzakelijk een herkenbare ‘corporate identity’ te hebben. Een filmfestival heeft daarom baat bij een herkenbare huisstijl (met onder andere een krachtig logo) en een herkenbare artistieke koers. Deze vorm van continuïteit en herkenbaarheid staat echter haaks op het ideaal van de programmeurs, die bij elke editie steeds opnieuw zullen trachten een onvoorspelbaar, verrassend en uniek programma te maken.
De promotie van de artistieke koers van een filmfestival uit zich ook in de aandacht voor de inbedding van de festivalvertoningen in (commerciële) randactiviteiten, zoals een filmmarkt voor professionals, een productiefonds ter ondersteuning van filmmakers, de distributie of tournees van festivalfilms en het aanbod van educatie. In Nederland profileren het International Film Festival Rotterdam (IFFR) en het International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA) zich succesvol op deze wijze.
 
De kernactiviteit (‘core business’) van filmfestivals is het programma. De programmeurs en scouts van filmfestivals gaan op zoek naar nieuwe ontdekkingen, ze selecteren de beste oogst van het jaar, ze geven een podium aan nieuw talent en aan gevestigde namen. Vanuit het perspectief van de artistieke keuzes ligt de essentie van een filmfestival in de functie van een fijnmazige filtering. De festivalprogrammeurs krijgen een enorme hoeveelheid films toegezonden en ze vullen deze keuzemogelijkheden nog aan met eigen research en tips van de scouts. Slechts een uiterst klein gedeelte van wat circuleert wordt vervolgens geselecteerd voor het festival. De artistieke koers van een filmfestival uit zich in de beredeneerde selectie van het hoofdprogramma en de bijprogramma’s. De festivalstaf profileert zich met de keuze van films, de festivalcatalogus moet impliciet of expliciet duidelijk maken waarom deze film op het festivalprogramma mag staan.
 
‘Ranking the festivals. Guidelines for evaluation of achievements and excellency’
Op basis van de artistieke koers krijgt een filmfestival een plaats op de internationale rangorde van reputatie en status. De website www.filmfestivals.com registreert duizenden filmfestivals wereldwijd en doet dat zo compleet mogelijk. De International Federation of Film Producers Associations (www.FIAPF.org) tracht een kwaliteitsselectie te maken, die echter niet onbetwist is.
 
Achter de schermen van de filmfestivalwereld heerst een levendige strijd om films te ontdekken en te verwerven voor vertoning, het liefst wereldpremières. Deze arena van sales agents, film producenten, aankomende regisseurs, festivalprogrammeurs en scouts is nog te weinig onderzocht.
 
De bezoekersaantallen zijn een ander veel gehanteerd criterium bij het maken van een rangorde van filmfestivals. Aantallen zeggen echter niet alles, want hoe staat het met de klanttevredenheid? Bij publieksonderzoeken van filmfestivals krijgen de randvoorwaarden doorgaans de meeste aandacht (met een focus op logistieke kwesties als een vlotte kaartverkoop, een boeiende dagkrant en de gastvrijheid in het algemeen). Dit is begrijpelijk genoeg, maar de kern bij publieksonderzoek zou moeten liggen in de vraag naar de kwaliteit van de aangeboden films en de kwaliteit van de artistieke koers (de selectiecriteria van het festivalprogramma). Een moeilijk in kaart te brengen variabele hierbij is de aard van de bezoekersverwachtingen (neutraal, laag of hoog), die ook afgezet zou moeten worden tegen de status van de bezoeker (filmprofessional of filmliefhebber, veteraan of nieuwkomer).
De evaluatie van succesfactoren van een festival kan het meest eenvoudig gebeuren op kwantitatieve basis, met een inventarisatie van kengetallen zoals het aantal films en het aantal gasten dat per editie gepresenteerd wordt en het aantal (betalende) bezoekers dat ontvangen wordt. De kwalitatieve evaluatie van een festival is moeilijker meetbaar te maken. De essentie ligt in de ontwikkeling (of de stagnering) van de artistieke signatuur van het festival, de stimulans van creativiteit bij de filmmakers en de stimulans (of de blokkering) van nieuwsgierigheid naar ongebruikelijke films bij het publiek. Filmfestivals worden ten dele bezocht door mensen die willen weten wat er speelt aan het voorfront van de filmkunst. Dit festivalpubliek zoekt naar horizonverbreding en verrassing, een kennismaking met nieuwkomers en/of een toetsing van verwachtingen die ontstaan zijn uit het volgen van ontwikkelingen in een oeuvre of genre. De motivatie van festivalbezoek zal daarnaast voor een groot deel van het publiek liggen in de drang naar het persoonlijk meemaken van een spraakmakend cultureel evenement. De uitdaging voor onderzoekers ligt in de open vraag hoe je op een betrouwbare manier de verschillende mogelijke vormen van klanttevredenheid kan meten.
 
Cultuurwetenschapper Dirk Noordman onderscheid in zijn boek Cultuurmarketing (2007) drie hoofdeisen die gesteld kunnen worden aan de programmering van festivals: een festivalprogrammering moet ‘goed’, ‘aantrekkelijk’ en ‘evenwichtig’ zijn. Een goede programmering wil zeggen: kwaliteit bieden, een duidelijke signatuur bezitten en innovatief zijn. Een aantrekkelijke programmering wil zeggen modieus zijn, genoeg sterren laten optreden en diepgang bieden. Een evenwichtige programmering heeft voldoende breedte, heeft voldoende afwisseling van begin tot eind en is volledig (onder andere door een goed gedoseerde randprogrammering). Op deze wijze onderscheid Noordman negen kritische succesfactoren voor de beoordeling van de programmering van festivals.
Vrij vertaald: elke festivalfilm moet artistieke kwaliteit hebben, de keuze moet een persoonlijke signatuur hebben en de programmeurs moeten putten uit de voorhoede van het aanbod, trends oppikken, ruimte bieden aan gevestigde namen en verdieping bieden. Ze moeten een breed en volledig aanbod bij elkaar zetten dat als totaal een meerwaarde heeft.
 
Research and analysis of the international film circuit
Reflectie over filmfestivals gebeurde lange tijd vooral door filmcritici. In Nederland is te wijzen op evaluatieve artikelen en festivalverslagen in de landelijke dagbladen en in gespecialiseerde tijdschriften als De Filmkrant (sinds 1981) en Skrien (vanaf 1968 tot en met 2009). De Amerikaanse filmcriticus Kenneth Turan bundelde tien journalistieke festivalreportages tot een boek (Sundance to Sarajevo. Filmfestivals and the World they Made, Berkeley: University of California Press, 2002). Pas recent kwam een stroom wetenschappelijke publicaties op gang.
 
Filmwetenschapper Marijke de Valck is een van de pioniers. In haar dissertatie onderzoekt ze het ontstaan en de aard van het mondiale festivalcircuit (de handelseditie van deze dissertatie werd in 2007 gepubliceerd onder de titel Film Festivals. From European Geopolitics to Global Cinephilia). Ze start met een ruwe schets van de historische ontwikkeling van filmfestivals in Europa. Filmfestivals begonnen aanvankelijk primair als een glamour-gebeurtenis (Venetië vanaf 1932, Cannes vanaf 1946) en zijn gaandeweg een invloedrijke manier van filmvertonen geworden: reputaties (en potentiële recettes) worden hier gemaakt en gebroken. Een filmfestival fungeert tegenwoordig als uniek en exclusief podium voor het alternatief aanbod ter aanvulling op de reguliere uitbreng in de bioscopen (dat doorgaans gedomineerd wordt door de Amerikaanse filmproductie).
De Valck onderzoekt systematisch de institutionele kenmerken van het verschijnsel internationaal filmfestival, verdeelt in vier aspecten: politiek, economie, reputatievorming en programmering.
  1. Voor de verkenning van de (geo)politieke context neemt ze het filmfestival van Berlijn als voorbeeld. Bij de oprichting van dit festival was de stad nog een Westerse enclave in het Oostblok, dat gedomineerd werd door de communistische ideologie. West-Berlijn functioneerde toen als een etalage van de Westerse normen en waarden.
  2. De economische betekenis bespreekt ze aan de hand van de filmmarkt van het festival van Cannes. Het festival van Cannes staat nadrukkelijk en expliciet in de context van het internationale festivalcircuit (met concurrentie van Berlijn, Locarno, Venetië, Toronto, Pusan, Rotterdam), maar heeft ook te maken met de agenda van de Franse distributeurs en met de lokale festivalagenda en city marketing.
  3. Bij het hoofdstuk over reputatievorming dient Venetië als case study, met drie voorbeelden van de zestigste editie in 2003: een verliezer (BUONGIORNO, NOTTE), een winnaar (LOST IN TRANSLATION) en een schandaal (TWENTYNINE PALMS). Een festival richt zich op het genereren van rumoer (‘buzz’), het is in essentie een media-event met een specifieke vorm van agenda-setting en reputatievorming. De aard van berichtgeving wordt gedomineerd door de glamour van filmsterren op de rode loper en de spraakmakende wereldpremières in de verschillende competities.
  4. Een filmfestival kent ook een artistieke visie, met een duidelijk geprofileerde keuze van films. Het International Film Festival Rotterdam dient als voorbeeld van een festival met een uitgesproken karaktervolle programmering en een eigenzinnig cinefiel publiek.
 
De Valck (2007) geeft een aantal voorbeelden van filmfestivals en zet deze in een historisch kader, maar ze heeft niet als doel een volledig historisch overzicht te geven van deze sector. In Nederland hebben we nog een grote akker te ploegen: wie gaat bijvoorbeeld eens zorgvuldig en grondig de volledige geschiedenis van het International Film Festival Rotterdam inventariseren en analyseren? Bij het jubileumjaar 2000 van het Berlijnse filmfestival verschenen twee boeken die als voorbeeldige richtlijn kunnen dienen en daarnaast geeft het onderzoek van De Valck de noodzakelijke theoretische inbedding hiervoor. Deze dissertatie is een inspiratiebron voor studenten, als voorbeeld van goed onderzoek van een actueel onderwerp en een vitrine van mogelijke theoretische perspectieven. Met een zeldzame mate van helderheid zet De Valck een aantal lijnen uit die houvast geven bij het onderzoek van een complex verschijnsel.
 
Een filmfestival is een reputatiemachine: naam en faam van films en van filmmakers kunnen worden gevestigd, bevestigd, bijgesteld of verguisd. Het selectieproces van ‘top of flop’ verloopt onder hoge druk, door de concentratie in tijd (een festival duurt meestal slechts enkele dagen), van plaats (de filmvoorstellingen in het festival zijn losgezongen van het dagelijks leven en de normale referentiepunten) en van aanbod (het festival biedt een uitzonderlijke hoeveelheid nieuwe onbekende films, van een uitzonderlijke kwaliteit). Een filmfestival is een ‘survival of the fittest’, zowel voor de films als voor de bezoekers. De reputatie kan omgerekend worden in geld, op korte termijn profiteert de lokale economie door stijging van de toeristenomzet (en stimulans van de city marketing), op lange termijn profiteert de filmproducent omdat hun films gratis publiciteit krijgen die later omzetbevorderend kan werken (maar een festivaltopper hoeft niet steeds een box-office hit te zijn!). Een festival kost geld, maar levert (soms) ook geld op.
 
Een filmfestival heeft een levenscyclus met twee mogelijke trajecten: ten eerste is er de optie van een kleinschalige start met een jonge, onervaren staf aangevuld met vrijwilligers. In een periode van drie jaar zijn starters-susbsidies mogelijk en ligt de focus op professionalisering. Ten tweede is er de optie van een professionele staf die een ruim budget krijgt voor bijvoorbeeld vier jaar (de cultuurnota periode), waarin het bestaansrecht van het festival bewezen moet worden, dat wil zeggen erkenning bij ‘peers’ en professionals en een voldoende toestroom van publiek.
 
Filmfestivals vormen een mondiaal vertoningscircuit. Films kunnen maanden lang een tournee maken langs diverse festivals in de wereld. Een festivalvertoning is de start van de reputatievorming van een film. De producenten zijn gebaat bij een selectie van hun film bij het festival met de grootste reputatie, de festivalvertoning is de eerste stap in het marketing traject. Festivaldirecteuren zijn aan de andere kant altijd op jacht naar spraakmakende premières. De festivals kunnen gezien worden als etalage van de filmmarkt, maar ook als gids voor het publiek (‘cultural intermediar’), of als eerste filter (‘gate keeper’). Bij filmfestivals is de bemiddelende functie duidelijk. Een vaak genoemd voorbeeld is het feit dat de Japanse cinema in Europa werd geïntroduceerd door de festivalvertoning van Rashomon (Kurosawa 1950), deze film werd tijdens het filmfestival van Venetië van dat jaar bekroond met de Gouden Leeuw. Een hele ontdekking voor het Westers filmpubliek. Het is nu onvoorstelbaar dat de gemiddelde bioscoopbezoeker van toen geen weet had van wat de Japanse cinema te bieden had. Wij hebben het anno 2010 echter wel makkelijk, met een keur aan internationale filmfestivals en een levendige mondiale filmhandel.
 
Kunstsocioloog Bart Hofstede onderzocht de internationale positie van de Nederlandse film en geeft hierbij het belang van filmfestivals aan als ‘wijdings-instantie’ en ‘trade fair’. Hij onderscheidt vier soorten filmfestivals: mondiale, regionale, categorale en lokale festivals (zie Hofstede 1995 en 2000).
Bij een filmfestival kruist het netwerk van de mondiale cinefilie en de internationale filmhandel het netwerk van de nationale filmcultuur en het lokale cultuuraanbod. Een filmfestival maakt deel uit van het internationale festivalcircuit (met als criterium een mondiale artistieke kwaliteitswaarde), maar heeft ook een sterke lokale binding (met het doel city marketing en/of het uitdragen van de nationale culturele identiteit). Op lokaal niveau is ook sprake van een festivalkalender en dus bestaat er onvermijdelijk een competitie tussen de diverse lokale cultuurfestivals: een strijd om aandacht van het publiek en een strijd om het aandeel subsidie binnen het gemeentelijk cultuurbeleid. De festivalformule is een marketing instrument, gericht op het lokken van een nieuw publiek (toeristen en de incidentele bezoekers uit eigen regio) door de aantrekkingskracht van de spectaculaire entourage.
 
We kunnen twee interessante spanningslijnen onderscheiden rondom het verschijnsel filmfestival. Filmfestivals vormen aan de ene kant een internationaal netwerk van filmvertoningen, aan de andere kant zijn filmfestivals onvermijdelijk geworteld in een lokale filmcultuur. Daarnaast zien filmfestivals zich geconfronteerd met de tegengestelde eisen van zowel een herkenbare artistieke signatuur te kunnen uitdragen als gelijktijdig ook steeds bij elke editie opnieuw een onvoorspelbare invulling van het programma te kunnen leveren.
 
Een invloedrijke factor in dit krachtenveld is de toenemende digitalisering van de mondiale filmcultuur, die de bestaande praktijk van filmhandel waar filmfestivals op gebaseerd zijn ingrijpend verandert. De digitalisering ondergraaft de macht van instituties en vergt bijstelling van de gangbare organisatievormen, maar het geeft ook meer mogelijkheden tot een werkelijk onafhankelijke circulatie van films.
 
 
Documentatie en publicaties rondom Filmfestivals
Selectief leestraject rondom het mondiale verschijnsel van filmfestivals
  1. Valck, Marijke de, Film Festivals. From European Geopolitics to Global Cinephilia. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2007. Oorspronkelijk: Film Festivals. History and Theory of a European Phenomenon That Became a Global Network, Amsterdam: UvA/ASCA, 2006.
  2. Elsaesser, Thomas, ‘Film Festivals Networks: The New Topographies of Cinema in Europe’, in: ibidem, European Cinema: Face to Face With Hollywood, Amsterdam: Amsterdam UP, 2005, pp. 82-107.
  3. Porton, Richard (ed), Dekalog 3: On Film Festivals, London: Wallflower Press, 2009.
  4. Iordanova, Dina & Ragan Rhyne (eds), Film Festival Yearbook. Volume 1: The Festival Circuit, London: Wallflower Press, 2009.
  5. Czach, Liz, ‘Film festivals, programming, and the building of a national cinema’, in: The Moving Image, jrg 4, nr 1 (Spring 2004) pp 76-88.
  6. Stringer, Julian, ‘Raiding the Archive: Film Festivals and the Revival of Classic Hollywood’, in: Grainge, Paul (ed.), Memory and Popular Film, Manchester: Manchester UP, 2003, pp. 81-96.
  7. Stringer, Julian, ‘Global Cities and the International Film Festival Phenomenon’, in: Shiel, Mark & Tony Fitzmaurice (eds) Cinema and the City: Film and Urban Societies in a Global Context, Oxford: Blackwell, 2001, pp. 134-144.
  8. Hofstede, Bart, ‘Filmfestivals. Podia van internationale wijding en handel’, in: Heilbron, Johan & Wouter de Nooy & Wilma Tichelaar (eds), Waarin een klein land. Nederlandse cultuur in internationaal verband, Amsterdam: Prometheus, 1995, pp. 153-205.
  9. Hofstede, B. Nederlandse cinema wereldwijd: de internationale positie van de Nederlandse film, Amsterdam: Boekmanstudies, 2000.
  10. Harbord, Janet, ‘Film Festivals: Media Events and Spaces of Flow’, in: ibidem, Film Cultures, London: Sage, 2002, pp 59-76.
  11. Nichols, Bill, ‘Discovering Form, Inferring Meaning. New Cinemas and the Film Festival Circuit’, in: Film Quarterly, jrg 47, nr 3 (Spring 1994) pp 16-30.
  12. Themanummers over filmfestivals: het Zweedse filmtijdschrift Film International vol 6, no 4 (2008, gastredacteur Dina Iordanova) en het Duitse filmtijdschrift Schnitt no 54 (april 2009, gastredacteur Lars Henrik Gass). Zie ook de Filmkrant, nr 300 (juni 2008) en nr 310 (mei 2009).
 
Internet-tips filmfestivals
De grote internationale filmfestivals zijn door het jaar heen gepland. Het filmfestivaljaar in Europa begint met Rotterdam (vanaf 1972) en aansluitend Berlijn (vanaf 1951), dan Wenen (vanaf 1960) en Cannes (vanaf 1946), in de zomer onder andere Locarno (vanaf 1946) en Venetië (vanaf 1932). Daarna zet het mondiale festivalcircuit zich voort in onder andere Toronto (Canada, sinds 1976) en in het najaar Pusan (Korea, sinds 1996).
 
Aanvullende tips voor wie een zomervakantie wil combineren met een filmfestival: Karlovy Vary (Tsjechië - www.kviff.com/en), Pesaro (Italië - www.pesarofilmfest.it), Sodankylä (Finland - www.msfilmfestival.fi), Deauville (Frankrijk - www.festival-deauville.com), La Rochelle (Frankrijk - www.festival-larochelle.org) en Nairn (Schotland - www.cinemaofdreams.co.uk).
 
De grote filmfestivals in Nederland zijn: www.filmfestivalrotterdam.com (in Rotterdam, sinds 1972) www.filmfestival.nl (in Utrecht, sinds 1981, gestart als de Nederlandse Filmdagen), www.idfa.nl (in Amsterdam, sinds 1988, een voortzetting van het Festikon in Laren); www.cinekid.nl (in Amsterdam en landelijk, sinds 1986); het Amsterdam Fantastic Film Festival (sinds 1984, ontstaan vanuit het Weekend of Terror, zie www.imaginefilmfestival.nl).
 
Enkele openluchtfestivals: Pleinbioscoop Rotterdam (sinds 1987, zie www.olb.nl) en het Openlucht Filmfestival Pluk de Nacht (sinds 2003, zie www.plukdenacht.nl), aan te vullen met mobiele cinema zoals www.solarcinema.nl en locatiefestivals als www.suikerzoetfestival.nl (Schiedam) of www.filmdesforets.eu of www.ContainR.com.
 
In België zijn de grote filmfestivals onder andere de “Filmvondsten/Cinédécouvertes” en “âge d’or” (Koninklijk Filmarchief in Brussel, www.cinematek.be), www.filmfestival.be (Internationaal Film Festival van Vlaanderen Gent, sinds 1974), www.fffb.be (Brussels Film Festival, sinds 2003), www.biff.net (Brussels International Fantastic Film Festival, sinds 1983). Voor de festivals voor korte film in o.a. Leuven en Namen zie www.kortfilm.be
 
Festivals voor zwijgende films: Filmmuseum Biënnale (Amsterdam) – www.filmmuseum.nl; Giornate del Cinema Muto / Pordenone Silent Film Festival (Pordenone) - www.cinetecadelfriuli.org; Il Cinema Ritrovato (Bologna) - www.cinetecadibologna.it ; Internationale Stummfilmtage (Bonner Sommerkino) - www.stummfilm.info ; The British Silent Cinema Festival (Nottingham) www.britishsilentcinema.com/; Zie ook de portal van Moving Image Collections: http://mic.loc.gov .