Kinderfilmprogrammering. Een situatieschets en pamflet


Peter Bosma
update december 2016

 
Waarom is het vertonen van kinderfilm belangrijk?
Het is mijn overtuiging dat een breed aanbod van kinderfilms een onmisbare factor is in het waarborgen van een gezond filmklimaat, zowel actueel als op langere termijn.
 

De vraag voor filmvertoners is: welke nieuwe generatie van twintigers zal rond 2030 in onze filmzalen zitten? Het antwoord kun je vandaag om je heen zien: de nieuwe generatie filmliefhebbers zijn anno 2016 immers nog kinderen tussen de 4 en 12 jaar. Dit publiek moet straks kunnen terugkijken op een fijne jeugd, met een brede keuze aan kinderfilms.
 
Kinderfilm is een boeiende deelverzameling van de eigentijdse kindercultuur en beeldcultuur van dit moment. Elk niet-commercieel filmtheater staat hier middenin en geeft op eigenzinnige wijze een invulling aan de kinderfilm-programmering, binnen de kaders van ieders mogelijkheden. De vertoning van kinderfilms is gebaseerd op de gemeenschappelijke overtuiging dat ook jonge bezoekers recht hebben op een verscheidenheid aan filmkeuzes op het grote doek.
 
Kinderfilmprogrammering is wat mij betreft allereerst gericht op het kijkplezier van de huidige bezoekers. Daarnaast staat het ook in het teken van de publieksbinding op de langere termijn. Een ervaringsfeit is namelijk dat de jonge ouders vroeger vaak frequente bioscoopbezoekers zijn geweest. Vaste klanten verdwijnen geregeld een tijdje uit het zicht en keren dan terug bij de kinderfilmvertoningen met een hummeltje aan hun hand. Het is altijd een mooi moment om te zien hoe kleuters hun eerste filmbeleving beleven, maar het is ook een belofte voor de toekomst: de kans is groot dat deze jonge klant op latere leeftijd terugkeert. Een goede opvoeding bevat voldoende stimulans tot cultuurdeelname in het algemeen en bioscoopbezoek in het bijzonder.
 
De kinderfilmprogrammering richt zich op een gelaagd publiek van kinderen en hun aanhang (vriendjes, ouders en grootouders, onderwijzers). De doelgroep is te kenschetsen als nieuwsgierig, kieskeurig en eigenwijs. Dat gegeven vergt een duidelijke profilering van het aanbod, want deze potentiële bezoekers van alle leeftijden moeten overtuigd worden van de hoge kwaliteit en de uitzonderlijke diversiteit van wat hen aangeboden wordt. Het unique selling point is samen te vatten als “beleef het feest van de kwaliteitfilm op het grote doek”. Het doel is films te vertonen die aansluiten bij hun ervaringen, films die hun verbeelding prikkelen en hun horizon verbreden.
 
Een bijzondere niche market is het aanbod voor de allerkleinsten, de klanten van vier à vijf jaar. Het is een prille leeftijd, waarop je nieuwsgierig en onervaren de wereld inkijkt. Uiteraard zijn de kleuters van tegenwoordig al doorkneed in het bekijken van televisie en games, maar ze hebben recht op kennismaking met de verrassende kijkervaring in de grote filmzaal. Ik pleit dan wel voor het vertonen van films die op hun maat gemaakt zijn, met kleine humorvolle verhalen en  fantasieprikkelende gebeurtenissen. Voorbeelden hiervan zijn onder andere de serie films rondom Knoester, of de verhaaltjes over Laban het kleine spookje.
 
Uiteraard moet er ook een aanbod zijn van jeugdfilms die gericht zijn op de iets oudere kinderen, de klanten van rond de acht jaar. Ook zij hebben recht op een keuzemogelijkheid. Naast het aanbod van internationale populaire familiefilms in de commerciële bioscopen moet er ook plaats zijn voor het vertonen van fantasievolle, verbeeldingsrijke films. Bekende block-busters zoals Cars (2006), Ratatouille (2007), Frozen (2013) of Paddington (2014) zijn zeker vermakelijke en ook bewonderingswaardige producties, maar het aanbod voor een jong publiek kan en moet veelzijdiger zijn.
 
De kern is wat mij betreft: niet-commerciële filmtheaters bieden gouden momenten voor het jong publiek met hun kindvriendelijke presentatie van zowel premièrefilms als hun beredeneerde keuze uit het beschikbare filmrepertoire. Op deze manier bieden de niet-commerciële filmtheaters een uniek en zeldzaam reservaat van verbeelding, dat aansluit bij de belevingswereld van kinderen.
 
Ik vind het daarom waardevol om de kwalitatieve kinderfilm landelijk te distribueren en zo frequent mogelijk te vertonen in zo veel mogelijk filmzalen. Het voortbestaan van de vertoning van de kwalitatieve kinderfilm verkeert echter momenteel in een kritische fase.
 
Wat is het probleem?
Een kinderfilmdistributeur zal met moeite uit de kosten komen en slechts met enig geluk en idealisme een buffer opbouwen voor het verlies bij andere titels. In de praktijk is een gezonde bedrijfsvoering alleen mogelijk met financiële ondersteuning door de overheid. Kinderfilm is te beschouwen als een aparte markt, met andere kengetallen dan in de rest van de bedrijfstak. Het verhaal achter de schermen wijkt sterk af van de normale gang van zaken. Dit geldt in sterke mate bij de niche markt van de kwalitatieve kinderfilm.
 
De knelpunten op een rij gezet:
  • De basiskosten bij de distributie van kinderfilms zijn bijna altijd hoger dan normaal door de noodzaak van het nasynchroniseren. Het opstellen van een realistisch terugverdienmodel is dus een grotere uitdaging.
  • Bij de uitbreng van de kwalitatieve kinderfilm is zelden of nooit te rekenen op de normale boeking van minimaal veertien voorstellingen per week, zelfs niet in de premièreweek. De hogere frequentie tijdens schoolvakanties vormt de uitzondering die de regel bevestigt.
  • Toegangsprijzen zijn bij kinderfilms doorgaans structureel lager dan bij overige filmvoorstellingen.
  • Filmvoorstellingen hebben last van een toenemende concurrentie van andere vormen van entertainment voor de jeugd. Kinderen hebben ook steeds meer een overvolle agenda met activiteiten buiten de filmzalen.
  • Educatieve voorstellingen trekken wel grote publieksaantallen, maar dit gebeurt slechts bij enkele titels. Het levert financieel weinig op, of kost zelfs geld. De organisatie van schoolvoorstellingen vergt een investering in ruimere openingstijden en aanpassing aan de denkkaders van het onderwijs.
  • De doelgroep wordt elke vier jaar geheel ververst, en dus zouden de beste films uit het recente verleden zonder problemen in reprise vertoond kunnen worden. In de praktijk is er echter weinig ruimte en aandacht voor repertoire, de focus ligt op het vertonen van premièrefilms.
 
Distributeurs hebben een financiële buffer nodig om hun catalogus van kinderfilms te handhaven en hun assortiment aan films op voorraad te houden, zodat ze een groot bestand aan repertoire kunnen aanbieden. De niet-commerciële filmdistributeurs zoals Twinfilm in Nederland en Jekino in Vlaanderen hebben een respectabele traditie opgebouwd en werken goed samen, maar ze staan financieel gezien niet stevig in de schoenen.
 
Distributie is een vak dat bestaat uit research doen, scouten, deals sluiten en een strategie kiezen voor de uitbreng. Dit alles vanuit een visie op de filmcultuur en rekening houdend met de bedrijfsmatige gegevens in de sector. De marktwerking geeft beperking van keuzevrijheid bij de besluitvorming van een distributeur, want deze tussenpersoon heeft rekening te houden met de belangen en verlangens van sales-agents, festivalprogrammeurs, filmvertoners en filmcritici.
 
Hoe gaat het met de kinderfilm in Nederland?
Hier past een genuanceerd antwoord, deels positief, deels somber gestemd. Hier volgt een korte uitweiding van beide constateringen.
 
Het glas is half vol - want in het recente verleden zijn in Nederland een reeks zeer succesvolle familiefilms (Abeltje, Minoes, Kruimeltje, Pietje Bell, Mees Kees op kamp) en succesvolle kinderfilms (Krassen in het tafelblad, Knetter, Kauwboy) gemaakt, daarnaast zijn er ook grootschalige jeugdfilms geproduceerd (Kruistocht in spijkerbroek, Brief van de koning, Hongerwinter, De koning van Katoren). Dit zijn allemaal heel geslaagde films, in artistiek en zakelijk opzicht. Deze films krijgen ook veel aandacht door vertoning op het Nederlands Film Festival en het Cinekid filmfestival. Nog een pluspunt: Cinekid kon ondanks alle bezuinigingen triomfantelijk het jubileum van de 30e editie vieren in 2016.
 
Het glas is half leeg - want de conclusies van het kritisch rapport dat de Raad voor Cultuur in 2006 publiceerde (Kinderfilm, naar een volwassen beleid) zijn helaas merendeels nog steeds actueel, of opnieuw actueel.
  • Op het vlak van productie: Er is binnen het Nederlands Filmfonds tot nog toe geen geld voor een aparte intendant voor kinderfilmproductie en ook niet voor een aparte kinderfilmconsulent. De succesvolle Cinema Junior regeling van het Mediafonds werd in 2011 gestopt. Vanaf 2012 is sprake van een kaalslag in de culturele sector die ook gevolgen heeft op de hoeveelheid films die in Nederland gemaakt kunnen worden. Daarnaast is te constateren dat de broedplaats van de Vpro op het gebied van experimentele kindertelevisie al jaren geleden verdampt is met het opheffen van Villa Achterwerk. Het nieuwe aanbod van Nederlandstalige films voor de allerjongste kinderen wordt grotendeels overgelaten aan de marktwerking, met als resultaat dat het bioscoopaanbod in dit segment gedomineerd wordt door nagesynchroniseerde internationale block-busters plus de films rondom K3 en Kabouter Plop (producties van het Vlaamse bedrijf Studio 100).
  • Op distributievlak is de beschikbaarheid van met name de buitenlandse kwalitatieve kinderfilms niet gewaarborgd, want import van nieuwe buitenlandse kinderfilms is al jaren verliesgevend.
  • Op het vlak van vertoning is te constateren dat de Nederlandse filmtheaters voornamelijk de recente uitbreng van Nederlandse familiefilms en internationale block-busters vertonen. Een regelmatige en brede vertoning van de kwalitatieve internationale kinderfilms blijkt ook voor niet-commerciële filmtheaters niet rendabel.
  • Op het vlak van archivering: helaas ontbreekt het nog steeds aan een actief conserveringsbeleid ten opzichte van het bewaren en koesteren van het erfgoed aan kinderfilms.
 
Wat moet er gebeuren?
Kinderfilm is nu nog te veel een voetnoot of bijgedachte in de filmsector. Wat te doen? Deze vraag is niet alleen belangrijk voor jonge ouders, maar ook voor elke filmliefhebber.
 
De diversiteit van het filmaanbod moet ook voor de allerkleinsten gegarandeerd en ondersteund worden. Op dit moment is er te weinig sprake van een krachtig en overtuigend tegengeluid ten opzichte van de marktwerking. Marktwerking is niet slecht, maar mag nooit alleen staan.
 
Het eerder genoemde kritisch rapport van de Raad voor Cultuur uit 2006 beargumenteert helder de noodzaak van een breed aanbod van kinderfilms. De harde werkelijkheid is echter dat het aanbieden van keuzemogelijkheden bij kinderfilms commercieel niet rendabel is, het schommelt zelfs op de bodemlijn van minimale vraag. Vele jaren later is dit rapport nog steeds actueel. Er zijn nog steeds te veel kinderfilmvoorstellingen waar slechts een handjevol bezoekers in de zaal zit. Dit levert een schrikbarend lage score van het gemiddeld aantal bezoekers per voorstelling op. Toch geloof ik stellig in een groot potentieel publieksbereik voor een aanbod van een brede keuze aan kinderfilms. Want: de klanttevredenheid is elke keer hoog en ouders zoeken altijd verantwoord vermaak voor hun kroost. Ik herhaal: het publiek van kinderfilms heeft recht op keuzemogelijkheden. Het kinderfilmaanbod van de niet-commerciële filmtheaters is essentieel voor een goed en gezond filmklimaat. Een filmvoorstelling in de niet-commerciële filmtheaters is meer dan alleen maar een groep kinderen ophokken in een donkere zaal.
 
Kinderfilm dient naar mijn mening een apart beleidsterrein te worden binnen het landelijke filmbeleid in Nederland, met aansluiting bij het Europese cultuurbeleid op het vlak van kinderfilmdistributie,  vertoning, educatie en archivering. Het landelijke kinderfilmbeleid zou gebaseerd moeten zijn op een zekere mate van ideologische bevlogenheid en kwaliteitsbesef.
 
Mijn pleidooi bevat vier actiepunten:
  1. De Nederlandse rijksoverheid zou distributeurs van kinderfilms moeten ondersteunen met een bedrag voor de basiskosten, naast de regeling van compensaties per kinderfilm. In het ideale geval zouden minimaal twee kinderfilm-distributeurs een structurele basissubsidie krijgen, aangevuld met een systeem van bonussen voor prestaties (aantal titels, aantal bezoekers).
  2. Daarnaast is het noodzakelijk dat EYE een selectie van spraakmakende buitenlandse kinderfilms opneemt in de collectie en zo veel mogelijk Nederlandse kinderfilms opneemt in een restauratieproject.
  3. De kinderfilm heeft een eigen platform nodig waar niet-commerciële filmtheaters hun ervaringen kunnen uitwisselen. Dit kan gebeuren via een besloten internetforum, bijvoorbeeld vanuit Cinekid, of vanuit EYE, of vanuit de NVBF (Nederlandse vereniging van bioscopen en filmtheaters). Ter ondersteuning hiervan is het handig als op landelijk niveau een filmconsulent aangesteld kan worden die alle ‘Best Practices’ van (rand)programmering en promotie verzamelt en verspreid, zowel Nederlandse case studies als vergelijkingen met Europa (Denemarken, Zweden, Finland, Noorwegen, Frankrijk). Aandachtspunt hierbij is de bundeling van krachten op het vlak van kinderfilmfestivals, kinderfilmvertoning en kinderfilmeducatie. Het resultaat is een databank van inventarisaties van doelgerichte en doelmatige inspanningen en de analyse van bijbehorende resultaten. De succesfactoren zijn te meten op twee vlakken: aan de ene kant de stimulering van de beschikbaarheid van een brede keuze aan kinderfilms en aan de andere kant de werving en binding van het publiek, de inbreng en interactie met kinderen.
  4. In Nederland zijn relatief gezien weinig professionele kinderfilmprogrammeurs. De programmering van kinderfilms gebeurt in de marge van beschikbare uren van de filmprogrammeurs van volwassenen films, of gebeurt door vrijwilligers, die moeilijk bereikbaar zijn en geen landelijk netwerk hebben. Ik zou daarom willen pleiten voor een opleiding voor kinderfilmprogrammering, een cursus waarin de zakelijke, artistieke en educatieve aspecten van het vak aan de orde komen. Een systematische en structurele deskundigheidsbevordering is in mijn ogen essentieel.
 
Een eerdere versie van deze toekomstvisie werd gepubliceerd als: ‘Kinderfilm in de knel’, in: de Filmkrant 310 (mei 2009), URL: www.filmkrant.nl. Deze tekst schreef ik toen vanuit het perspectief van mijn jarenlange ervaring als kinderfilmprogrammeur van LantarenVenster, een non-commercieel filmtheater. Mijn pleidooi heb ik aangevuld en geactualiseerd, maar in grote lijnen is mijn betoog nog steeds geldig, helaas.
 
Documentatie
 
Aanbevolen Nederlandstalige literatuur

Internationale teksten:
 
Documentaires
 
Boek signalering: Van Abeltje tot Zoop (2011).
Dit is een enthousiast en onderhoudend geschreven overzicht van de geschiedenis van de Nederlandse jeugdfilm, van 1917 tot heden, met veel aandacht voor het verhaal achter de schermen. Gebaseerd op archiefonderzoek en interviews met tientallen professionals. Rijk geïllustreerd met scènefoto’s, setfoto’s en affiches. Bevat een chronologische filmografie en een top 40, gebaseerd op bezoekcijfers.
 
Vooroorlogse filmpioniers waren Dick Laan (die later met meer succes kinderboeken ging schrijven) en G.B.H. Niestadt met zijn reeks Dik Trom verfilmingen. In de jaren dertig werden de eerste Disney films in Nederland vertoond, de enige concurrentie in de bioscoop bestond destijds uit Merijntje Gijzens Jeugd (1936) en Boefje (1939). De Schoolbioscoop probeerde de Nederlandse kinderen op pedagogisch verantwoorde wijze met het medium film in aanraking te laten komen. In de jaren vijftig en zestig werd de Nederlandse jeugdfilm op de kaart gezet  door autodidact en solist Henk van der Linden. De professionalisering kwam in de jaren zeventig op gang, met de komst van Karst van der Meulen en de opkomst van de jeugdtelevisie bij verschillende omroepen (IKON, Vpro, KRO). Vanaf de jaren tachtig begon het succes van de Nederlandse jeugdfilm, met regisseurs als Ben Sombogaart en Maria Peters, en producenten zoals Burny Bos. In 1987 werd de eerste editie van Cinekid filmfestival georganiseerd. De productie van kinderfilms en familiefilms werd een volwaardige specialisatie, waarbij vele hoogtepunten tot stand kwamen, zowel in artistiek als economisch opzicht. Enkele titels; Mijn vader woont in Rio (1989), Lang leve de koningin (1995), Het zakmes (1993), Abeltje (1998), Kruimeltje (1999) en Minoes (2001).
 
Recensie door Leo Bankersen, in: de Filmkrant 339 (januari 2011).
 “ [...] ‘Over het succes van de Nederlandse jeugdfilm' is de ondertitel van het boek, maar wanneer het erop aankomt dit succes te verklaren maken de schrijvers zich er wat snel vanaf. Zijn het de boekverfilmingen? Is het marketing? Is het de tijdgeest? Een heldere duiding blijft uit.%u2028De waarde van het boek zit hem vooral in het historisch overzicht, de illustratieve productieverhalen en bijkomende aspecten, zoals de opkomst van het marketingdenken. Een handig basisboek ook voor nadere verkenningen [...].”
URL: http://www.filmkrant.nl/TS_januari_2012/7539
Zie ook: de boekbespreking door Dorothee Verdaasdonk, in Boekman 90 (voorjaar 2012), pp. 110-111.
 
Discussiepunt 1: Afbakening
Er is een glijdende schaal te maken tussen kinderfilm - jeugdfilm - familiefilm – jongerenfilm -volwassenenfilm.
Wat mij betreft zijn animatiefilms zoals KERST BIJ DE LIEVEHEERSBEESTJES of filmserie rondom DER KLEINE EISBAER (Nederlandse titel: De kleine ijsbeer, 2001) te beschouwen als een kinderfilm en zijn block buster animatiefilms als HAPPY FEET of de serie rondom ICE AGE (2002) of  OVER THE HEDGE (Nederlandse titel: Beesten bij de buren, 2006) daarentegen te beschouwen als een main-stream familiefilm en is een animatiefilm als HOWL’S MOVING CASTLE (2004) een film voor volwassenen (maar Cinekid 2005 presenteerde wel een retrospectief van regisseur Miyazaki).
En hoe classificeren we de animatiefilm ANTZ (1998, bekend door de medewerking van Woody Allen) of  A BUG’S LIFE (1998, een animatiefilm over een mierenkolonie die in opstand komt tegen een tirannieke sprinkhaan, een film uit de koker van de makers van TOY STORY)?
En hoe beoordelen we de twee filmversies van de roman SJAKIE EN DE CHOCOLADEFABRIEK van Roald Dahl: WILLY WONKA & THE CHOCOLATE FACTORY, Mel Stuart 1971 en CHARLIE AND THE CHOCOLATE FACTORY, Tim Burton, 2005)?
Welke animatiefilms van producent/regisseur Tim Burton geschikt voor een jong publiek? BEETLE JUICE (1988), THE NIGHTMARE BEFORE CHRISTMAS (1993), FRANKENWEENIE (2012)?
En welke leeftijdsadvies hanteren we bij LA CITE DES ENFANTS PERDUS (Jean-Pierre Jeunet & Marc Caro, 1995) en idem bij THE YOUNG AND PRODIGIOUS T.S. SPIVET (Jean-Pierre Jeunet, 2013)?
 
Discussiepunt 2: leeftijd segmentering
Het zal duidelijk zijn dat niet elke film over kinderen meteen een kinderfilm is, maar waar ligt de grens? Wat is een correct leeftijdadvies? Sommige kinderfilms zijn te complex voor jonge kinderen of behoorlijk angstaanjagend. Wat kan een kind van vier aan, is er een verschil met een kind van vijf?  Waar ligt de grens tussen kinderen en jongeren? Met name voor de leeftijd 12 is discussie mogelijk. Welke coming of age film is geschikt voor de leeftijdgenoten van de hoofdpersoon? Welke tienerfilms hebben tieners als doelgroep?
 
Op het Cinekid Filmfestival werd in 2006 de Zweedse jeugdfilm ZOZO vertoond, de vraag hierbij is: betreft het hier een te gruwelijke film (over de burgeroorlog in Libanon), of is het juist een film die de harde werkelijkheid van de grote mensenwereld goed vertaald naar de kinderbeleving?
Dezelfde vraag kan gesteld worden bij de Zuid-Afrikaanse film THE WOODEN CAMERA, die in 2004 ook uitgebracht werd als kinderfilm, en bij de Spaanse film PLANTA 4a, over jonge kankerpatiënten.
Of neem de Marokkaanse film ALI ZAOUA over lijmsnuivertjes in Casablanca: is dit te schokkend of juist waardevol inzicht gevend?
We kunnen deze jeugdfilm vergelijken met volwassenenfilms over straatkinderen, zoals in Brazilië (PIXOTE, Hector Babenco 1981), in India (SALAAM BOMBAY, Mira Nair 1988), of langer geleden in Mexico (LOS OLVIDADOS, Luis Bunuel 1950), in Italië (SCIUSCIA, Vittorio de Sica, 1946) en Duitsland (GERMANIA ANNO ZERO, Roberto Rossellini, 1948).
Er bestaan ook verschillende films over het leven van kinderen in oorlogstijd, zoals DIE KINDER AUS NR. 67 (Werner Meyer, 1980) of AU REVOIR, LES ENFANTS (Louis Malle, 1987), of HOPE AND GLORY (John Boorman 1987)
 
Probeer de volgende volwassenenfilms te bekijken, ze hebben allemaal een kind (of tiener) in de hoofdrol. Vorm je eigen mening over de eventuele kindvriendelijkheid van deze speelfilms: STAND BY ME (Rob Reiner, 1986), IL LADRO DI BAMBINI (Gianni Amelio, 1992), CENTRAL DO BRASIL (Walter Salles, 1999), BILLY ELLIOT (Stephen Daldry, 2000), WHALE RIDER (Niki Caro, 2002), VALENTIN (Alejandro Agresti, 2002), IO NON HO PAURA (Gabriele Salvatores, 2004), ANCHE LIBERO VA BENE (Rossi Stuart, 2007), LE RENARD ET L’ENFANT (Luc Jacquet, 2007), C’EST PAS MOI, JE LE JURE (Philippe Falardeau, 2008), LET THE RIGHT ONE IN (Tomas Alfredson, 2008), BAL (Semih Kaplanoglu, 2010), TOMBOY (Céline Sciamma, 2011), L’ENFANT D’EN HAUT (Ursula Meier, 2012), YOUR BEAUTY IS WORTH NOTHING (Hüseyin Tabak, 2012, vertoond op Cinekid 2013), A LONG STORY (Jorien van Nes, 2013).
 
 
Daarnaast is te wijzen op vele Iraanse speelfilms met kinderen in de hoofdrol, zoals (in chronologische volgorde): COLOR OF PARADISE (Majid Majidi 1999), DE APPEL (Samira Makhmalbaf, 1998), DON (Abolfazl Jalili, 1998), DE WITTE BALLON (Jafar Panahi, 1996), BASHU (Bahram Beyzai, 1989), HOMEWORK (Abbas Kiarostami, 1989), THE RUNNER (Abolfazl Jalili, 1986) en WAAR IS HET HUIS VAN MIJN VRIEND (Abbas Kiarostami, 1987).
 
 
In het filmerfgoed zijn nog vele andere voorbeelden te vinden van films over kinderen, onder andere: THE CHILDREN ARE WATCHING US (Vittorio de Sica, 1944), THE BOY WITH GREEN HAIR (Joseph Losey, 1948), LADRI DI BICICLETTE (Vittorio de Sica 1948), KES (Ken Loach, 1969), L’ARGENT DE POCHE (Truffaut, 1976), VOLTATI EUGENIO (Commencini, 1980) of LA NOTTE DI SAN LORENZO (gebroeders Taviani, 1982).
Ook een terugblik op de eigen jeugd kan een grimmig beeld geven, denk aan LES 400 COUPS (Truffaut, 1959), of de trilogie van Bill Douglas (MY CHILDHOOD, 1972; MY AIN FOLK, 1973; MY WAY HOME, 1978. En de bitter-melancholieke herinneringen van Terence Davies in DISTANT VOICES, STILL LIVES (1988) en THE LONG DAY CLOSES (1992).
Meer informatie over deze films is te vinden in het archief van www.filmkrant.nl en www.cinema.nl en natuurlijk www.imdb.com.

Lees-tips:
 
Discussiepunt 3: het dilemma van de artistieke koers
Waar ligt bij kinderfilm-programmering op artistiek vlak de grens tussen wereldvreemde arrogantie en karaktervolle eigenzinnigheid? Een kinderfilmprogrammeur zal zich moeten kunnen inleven in de voorkeuren van zijn jonge publiek. Aan de andere kant mogen ook kinderen aangenaam verrast worden met films die voor hen onbekend zijn en waar ze toch met enige waarschijnlijkheid plezier aan zullen beleven en die wellicht ook een horizonverbreding kunnen geven. Deze afweging is ook een van de discussiepunten bij de selectie van de ‘Cinekid-klappers’, een lijst van 100 aanbevolen kinderfilms (zie www.cinekid.nl). 
 
Ook op financieel vlak is sprake van een dilemma: zakelijk gezien zijn kinderfilms in ons marktsegment zelden rendabel. Bij een commerciële vertoner is vrij gemakkelijk een ‘break even point’ te berekenen, het moment waarop je uit de kosten bent en waarna je winst begint te maken. Bij een niet-commerciële vertoner is de omvang van de recette niet het belangrijkste kengetal, maar waar ligt je grens van legitimering? Is een gemiddeld aantal bezoekers dat schommelt tussen de 12 tot 14 per voorstelling nog wel zinvol te noemen, dat zou toch minimaal twee keer zoveel kunnen zijn? Mijn antwoord is voorlopig ja, we moeten stug blijven doorbuffelen, want het belang van een breed en gevarieerd kinderfilmaanbod is te groot om het hoofd te laten hangen.
 
Discussiepunt 4: Instrumenteel of autonoom?
Moeten kinderfilms leerzaam zijn? Tot nog toe heb ik het toverwoord ‘visual literacy’ (mediawijsheid) nog niet genoemd. Dit is een prachtig pedagogisch ideaal in onze tijden van beeldcultuur. Het kernpunt is kort door de bocht te omschrijven als het vergroten van de audiovisuele weerbaarheid van kinderen door ze de verborgen gevaren van misleiding en verleiding te laten ontdekken. Wat mij betreft staat deze gedachte slechts op de verre achtergrond bij de vertoning van kwalitatieve kinderfilms in de filmzaal, want als het goed is zullen hier artistieke idealen domineren. Mediawijsheid zou in dit perspectief gezien moeten gaan over het ontdekken van verborgen kwaliteiten, het leren genieten van eigenzinnig ontworpen bewegende beelden.
Wat doen we dus met filmeducatie en kinderfilms? Mijn ideaal is toch wel dat alle leerlingen tenminste één keer in hun leven in een filmtheater zijn geweest, zoals ze ook klassikaal naar het museum gaan. Voor de scholen zijn hierbij talloze beren op de weg te signaleren: op welk moment past dit filmbezoek in het leerplan, hoe regelen we het vervoer van de leerlingen, hoe regelen we de financiering van de toegangsprijs? Ook voor het filmtheater zijn er hobbels te nemen: hebben we personeel beschikbaar overdag, is er voldoende toezicht op de meute jonge bezoekers, is er geschikt filmaanbod? Dat laatste is er zeker. Je kan kiezen voor het tonen van het actuele aanbod aan Nederlandse jeugdfilms, of een assortiment van jeugdfilms samen te stellen die een ‘Venster of de wereld’ bieden, zoals onder andere: KONING DER MASKERS (China), WEB OF THE WITCH/MAKDEE (India), DE GOUDEN VOETBAL (Afrika). Discussievraag: Hoort THE CAVE OF THE YELLOW DOG (Mongolië) ook in dit rijtje? En documentaires zoals ETRE ET AVOIR (Nicholas Philibert, 2002) of KINDER VOM NAPF (Alice Schmid, 2012)?
 
Advies aan programmeurs: Betrek ook het beschikbare speciale filmaanbod bij filmeducatie. Dit vergt enige research. Enkele suggesties:
1. EYE heeft een geweldige filmcompilatie samengesteld rondom fietsen in films, met begeleidend lesmateriaal dat gericht is op het basisonderwijs.
2. Maak een eigen compilatie van kwalitatieve korte animatiefilms, zoals DE ZWEMLES (Danny de Vent, 2008), SIENTJE (Christa Moesker, 1997), MIA (Wouter Bongaerts, 2013) en vele anderen.
3. Het IDFA heeft de serie Kids & Docs opgezet, met prachtige resultaten zoals AYLA, HET TSUNAMI MEISJE (Wilma Ligthart, 2005), of RAUW (Anneloek Sollart, 2008).
4. Daarnaast bestaan er toch ook een nieuwe lichting van eigenzinnige en inventieve jeugdtelevisieprogramma’s, zoals STEFPACKING (Vpro, seizoen 2012-2013)
 
 
Discussiepunt 5: Repertoire kennis en artistieke lijnen
 
List challenges: filmkenner Mark Cousins noteerde in 2005 zijn volgende top 5 van kinderfilms, in een column die werd herdrukt in zijn boek Widescreen (2008, p. 51-52):
 
Mijn favoriete kinderfilms (animatie)

Recente aanwinsten:
 
Mijn selectie van Nederlandse en Vlaamse jeugdfilms:
 
klassieke jeugdfilms

Tienerfilms / Teen films/ Generation 14
En:
 
Web links