De betovering van filmvertoningen




Peter Bosma, december 2016
Circa 2.200 woorden
 
In 2016 heb ik genoten van de betovering van de vertoning op het grote doek van vele uiteenlopende speelfilms, onder andere Carol; Red Turtle; El abrazo de la serpiente; Les premiers les derniers; Neon bull; L’avenir; Hell or high water; La fille inconnue; Frantz; The Salesman.
 
Vaak zat ik hierbij in een vrijwel lege filmzaal. Het is daarom onvermijdelijk dat de vraag rijst of de kwaliteitsbioscoop nog bestaansrecht heeft in de 21e eeuw. Kan de ‘art cinema’ in Nederland op rendabele wijze repertoire houden op het grote doek? Waarom zou je als consument in het tijdperk van digitalisering en mondialisering nog tijd en geld besteden aan het kijken naar artistiek hoogwaardige films in een zaalprojectie? 

Dit zijn relevante vragen, want deze vorm van filmvertoning heeft vanouds een relatief klein publiek. In de Nederlandse bioscoopwereld schommelt het marktaandeel van de niet-commerciële filmvertoning rond de zeven procent. Het is in marketing termen dus een ‘niche market’. Waarom is deze kleine uithoek van de markt toch als uiterst waardevol te beschouwen? Hiermee zitten we meteen bij de kern van de vraag naar de legitimering van de vertoning van kwaliteitfilms op het grote doek.
 
Voordat we kunnen denken aan een verantwoording van het belang van de vertoning van kwaliteitfilms is het noodzakelijk de definitie van kwaliteitfilms aan de orde te stellen. Een eenduidige en concrete meetlat van kwaliteit is lastig te geven:
  • Een signalement in de vorm van een omschrijving van essentiële kenmerken van een kwaliteitfilm zal altijd discutabel blijven.
  • Je zou kunnen zeggen dat kwaliteitfilms worden gemaakt door mensen die blijk geven van kerneigenschappen zoals authenticiteit, originaliteit, spontaniteit, oprechtheid, betrokkenheid, vakmanschap. Maar deze termen zijn moeilijk te gebruiken als eenduidige criteria.
Mijn strategie om te komen tot een werkbare definitie van kwaliteitfilms is daarom de afbakening te koppelen aan de activiteit van de toeschouwer. Welk effect heeft een kwaliteitfilm op de toeschouwer? In plaats van te zoeken naar kenmerken of de oorsprong van kwaliteitfilms, kijk ik naar de persoonlijke impact bij de toeschouwers. Ik hanteer dus een functioneel perspectief, met een focus op de werking van kwaliteitfilms.
 
Horizonverbreding
Eerst nog een zijstap: Bij de onderbouwing van aanvragen voor financiële ondersteuning voor de vertoning van kwaliteitfilms wordt vaak gebruik gemaakt van economische argumenten. De essentie van het betoog is dan dat de vertoning van kwaliteitfilms ook geld kan opleveren, want een bloeiende filmcultuur verhoogt immers de aantrekkelijkheid van het vestigingsklimaat voor bedrijven en stimuleert bovendien de innovatie en sociale cohesie. Deze positieve economische en sociale impact is een mooie gedachte die menig gemeentebestuur zal kunnen bekoren, maar de bewijslast hiervoor vergt veel research. Ik zie twee nadelen: het benodigde rekenwerk voor het bepalen van de behaalde extra omzet zal veelal betwistbaar blijven en dit economische perspectief beperkt de discussie over de waarde van kwaliteitfilms tot het opmaken van een boekhoudkundige balans van kosten en baten.
 
De eerste stap bij de verdediging van de vertoning van kwaliteitfilms is wat mij betreft de focus te richten op de individuele filmbezoeker. Welk effect heeft een filmvertoning op persoonlijk vlak? Met deze vraag kan een werkbare afbakening verkregen worden. Hier volgt mijn voorzet:
 
Kwaliteitfilms stellen de toeschouwer in staat met een frisse blik naar de eigen werkelijkheid te kijken, ze ontregelen de dagelijkse waarnemingsroutine. Kwaliteitfilms verrijken het persoonlijk leven van de nieuwsgierige filmtoeschouwer en het maakt het maatschappelijk debat gevarieerder. Dit is meer dan ooit nodig in onze tijd van populisme en demagogie. Het vertonen van kwaliteitfilm heeft wat mij betreft een hoge urgentie en relevantie, want het is te beschouwen als een tegengif tegen eentonigheid en zelfingenomenheid. Het maakt het repertoire aan beschikbare verhalen groter en het biedt een rijkdom aan keuzes met een gevarieerd assortiment van verhalen. Verhalen over de eigen positie in de wereld, over de beleving van het verleden en over de contouren van mogelijke werelden. Kwaliteitfilms geven handreikingen voor de beschrijving en het begrip van de eigen identiteit, een stimulans van reflectie op vragen zoals wie ben ik en waar kom ik uit voort? Ze geven ook inspiratie voor de acceptatie van de verbeelding van andere werelden, met een scala aan ideaalbeelden, doembeelden en droombeelden.
 
Kritische opmerking: het is onzeker welke concrete, meetbare positieve effecten de vertoning van kwaliteitfilms zou kunnen hebben op de leefomgeving. Het gaat hier immers om een kwalitatieve inspiratie en dus om een mogelijk betwistbare stellingname.
 
Repliek: Mijn bevlogen rechtvaardiging van kwaliteitfilm is terug te brengen tot de eenvoudige en uitdagende levensvraag: Welke films hebben een blijvende indruk op jou als toeschouwer gemaakt? Welke herinneringen aan films koester je? Het antwoord kan zowel een  terugblik zijn op kijkervaringen in de prille jaren van de kindertijd of pubertijd, als een actuele rondblik van dit moment met een balans van deze maand of het afgelopen jaar.
 
De filmbeleving
Mijn eigen antwoord op deze vraag naar beklijvende herinneringen aan filmvertoningen verschilt van dag tot dag, maar een constante is dat ik voor mijn repertoire aan memorabele kijkervaringen vooral put uit niet-commerciële vertoningen, soms al van lang geleden.
 
Een voorbeeld: de openluchtvertoning in de jaren negentig bij de Rotterdamse Pleinbioscoop van de klassieke film Ascenseur pour l’échafaud (Louis Malle, 1958, Lift naar het schavot). Jeanne Moreau loopt radeloos te dwalen door nachtelijk Parijs, de toch al perfecte sound track (de beroemde jazz muziek van Miles Davis) werd toen subtiel verrijkt met de live stadsgeluiden van Rotterdam. De grenzen van het filmdoek vervaagden, film en werkelijkheid vermengden zich op wonderbaarlijke wijze: ons klapstoeltje leek op een stoep in Parijs te staan en Jeanne Moreau leek zo de hoek om te kunnen komen. De stedelijke achtergrond van het noodlottig verhaal uit de jaren vijftig versmolt met de stedelijke achtergrond van de vertoning veertig jaar later. Ascenseur pour l’échafaud werd in Nederland succesvol heruitgebracht door distributeur Contact Film, ik heb deze klassieker dus vaker kunnen zien in filmzalen, maar de openluchtvertoning blijft voor mij toch de meest indrukwekkende kijkervaring.
 
Een andere uitzonderlijke persoonlijke kijkervaring dateert van nog langer geleden: in de jaren tachtig was eindelijk de volledige versie van  Andrej Roebljov (Andrej Tarkvoski, 1966) in Nederland te zien. De eerste voorstellingen waren op het Filmfestival van Rotterdam, onder andere in een vertoning bij het krieken van de dag (negen uur in de ochtend). Dat leverde een onvergetelijke en overweldigende kijkervaring op. Deze director’s cut was geen marketing truc, maar een emotioneel beladen eerherstel na jarenlange censuur. Tarkovski maakte met deze film een allegorie over een kunstenaar, gesitueerd in de Middeleeuwen, vormgegeven in het brede Cinemascope-formaat. De vroege voorstelling werd bezocht door een kleine groep devote cinefielen, het was voor ons een bezielend rustpunt in de drukte van het festival. Tarkovski schildert op meesterlijke wijze een serie filmische fresco’s in brede zwart-wit beelden. Mijn herinnering bestaat uit een reeks van beklijvende scènes, zoals de proloog met de hallucinerende ballonvaart, of de ontroerende climax bij de episode over de jonge klokkengieter, en natuurlijk de uitbarsting van kleur aan het eind wanneer de camera langzaam de schilderijen van Roebljov aftast. Distributeur Film International bracht Andrej Roebljov in Nederland uit, ook in dit geval heb ik de film vaker gezien, maar de eerste sensatie blijft onovertroffen.
 
Meer recent waren de vertoningen van activistische documentairefilms zoals Women are Heroes (JR, 2010), Five Broken Cameras (Emad Burnatt & Guy David, 2011), The Salt of the Earth (Wim Wenders, 2014), Citizen Four (Laura Poitras, 2014) en Tomorrow (Cyril Dion & Mélanie Laurent, 2015) een indrukwekkende inspiratiebron.
 
Dit zijn slechts enkele willekeurige voorbeelden uit mijn eigen ervaring. De essentie van mijn betoog is dat dergelijke vertoningen van kwaliteitfilm het individuele referentiekader van elke ontvankelijke toeschouwer verbreden. Dit soort films stelt de bezoeker in staat zich een betere voorstelling te maken van het dagelijks leven van anderen, in andere tijden en plaatsen.
  • Bijvoorbeeld: hoe zag het stadsleven eruit in de Sovjet-Unie, in de jaren twintig? Een film als Bed en Sofa (Abram Room, 1927) geeft een antwoord en toont een beeld dat sterk afwijkt van de stereotypen in menig geschiedenisboek.
  • Een ander voorbeeld: hoe ziet het stadsleven eruit in het eigentijds Iran? Een film als Fireworks Wednesday (Asghar Farhadi, 2006) of The Salesman (Asghar Farhadi, 2016) geeft het antwoord. De filmtoeschouwer krijgt wellicht zelfs een beter beeld van de Iraanse leefwereld dan de toerist die een bezoek aan Teheran brengt.
  • En dichter bij huis gedacht: hoe ziet het stadsleven eruit in eigentijds Nederland? Een film als Iles Flottantes (Nanouk Leopold, 2001) geeft heel impliciet het antwoord. Levensechte personages lopen hier terloops door een levensechte stad, zonder achtervolgingen, zonder ‘product placements’ en zonder overbodige dialogen.
 
Daarnaast verruimen kwaliteitsfilms ook het voorstellingsvermogen op het gebied van mogelijke werelden (‘fantasy’). Drowning by Numbers (Peter Greenaway, 1988) bijvoorbeeld geeft aan hoe je altijd en overal de saaie werkelijkheid kunt verlevendigen met het verzinnen van heerlijk gecompliceerde spelregels voor een volstrekt nutteloos spel. En soms kan de visuele rijkdom van een onbekende Georgische zwijgende film als Eliso (Nikolaj Sjengelaja, 1928) de mond van de toeschouwer doen openvallen van bewonderende verbazing.
 
Basisvoorwaarde hierbij is overigens wel dat de toeschouwer zich openstelt voor de filmbeleving. In de filmzalen zitten vaak mensen die hun eigen cocon meezeulen naar de publieke ruimte. Ze schermen zich af door voortdurend hun telefoon te checken en berichten te versturen, of ze eten luidruchtig chips, popcorn of ander junkfood. Dit gedrag is ongezond, maar ook kortzichtig en a-sociaal.
 
De context van filmvertoningen
Ter aanvulling stel ik een tweede strategie voor de definitie van kwaliteitfilm voor: laten we onze aandacht ook richten op de maatschappelijke context van filmvertoningen. Wat is het oordeel van filmwetenschappers, critici, spraakmakende beleidmakers en overige gezaghebbende experts? Welke onderscheiding van kwaliteitfilms worden door deze groep aanvaard? Deftig gezegd: mijn particuliere opvattingen over kwaliteitfilms en mijn persoonlijke esthetische ervaringen kunnen getoetst worden door te zoeken naar een institutionele verankering van de algemeen gedeelde erkenning door autoriteiten in het netwerk van cultuurbeleid en de filmwetenschap.
 
Welke positie heeft de vertoning van de kwaliteitfilm binnen het cultuurbeleid van de Nederlandse overheid? Op deze vraag is genuanceerd en uitvoerig antwoord mogelijk, maar de conclusie is dat er nog steeds sprake is van een marginale positie. Dat is jammer, want wat zou het mooi zijn geweest als er een algemeen erkende afbakening van de kwaliteitfilm had bestaan, een lofzang als rechtvaardiging van landelijke en lokale overheidssteun. Iedere culturele instelling in de Nederlandse filmwereld zou die passage dan steeds integraal in het jaarverslag kunnen citeren, als gemeenschappelijke overtuiging en als overtuigend verweer tegen het stoffige verwijt van elitaire subsidieverspilling. De verantwoording en verdediging van het vertonen van kwaliteitfilms door filmhuizen en overige culturele instellingen is helaas nog steeds versnipperd.
 
In het domein van de filmstudies staat momenteel de vraag centraal hoe het  medium film en de kijkervaring veranderen onder invloed van digitalisering en mondialisering. Eén van de discussiepunten is de vraag of ‘de cinema’ al dan niet nog ‘leeft’ en of het fenomeen van de filmvertoning in de bioscoop al dan niet nog een toekomst heeft (zie onder andere www.zukunftkino.com). Dit zijn belangwekkende ontwikkelingen die interessante onderzoeksvragen oproepen, maar de eerste fundamentele denkstap wordt vaak genegeerd: welk antwoord geeft men op de dwingende basisvraag Who cares? Hiermee zijn we teruggekeerd bij de vraag waarmee ik gestart ben: Welk bestaansrecht heeft de vertoning van kwaliteitfilms?
 
De analyse van het netwerk van filmvertoning
Terug naar het begin: welk bestaansrecht heeft de vertoning van kwaliteitfilms? Een mogelijke insteek om tot een antwoord op deze vraag te komen is om het netwerk rond de vertoning van kwaliteitfilms in kaart te brengen. Het persoonlijk verhaal over elke individuele ontroering en individuele kijkgeschiedenis hangt namelijk sterk af van de nuchtere vraag welke films aanwezig zijn: welk assortiment aan hoogwaardige premièrefilms, filmrepertoire en filmerfgoed is beschikbaar? De Nederlandse bevolking is pluriform en omvangrijk, het filmaanbod zou dat mijns inziens ook moeten zijn.
 
De presentatie van films kent vele opties, reikend van een festivalvertoning in een grote zaal tot een solitaire viewing op de laptop, onderweg in de trein of vliegtuig. Deze keuzes in facilitering en infrastructuur moeten we koesteren, want deze diversiteit vergroot de mogelijkheden van overdracht. Hoe meer kanalen er bestaan voor de presentatie en promotie van kwaliteitfilms des te beter het is. De zaalvertoning blijft wat mij betreft echter de standaard, want dat is de enige plaats waar film bekeken kan worden zoals het bedoeld is: in een lineair tijdsverband en als een collectieve kijkervaring met een geconcentreerde blik (een verduisterde zaal, een groot scherm).
 
De productie van een kwaliteitfilm is gebaseerd op inspiratie en verbeeldingskracht, terwijl de filmvertoning in Nederland (en elders in de wereld) grotendeels is gebaseerd op de wetten van de handelswaarde. Welke films de toeschouwer kan zien in de bioscoop wordt grotendeels bepaald door mensen die vooral winstoogmerken hebben, en dan viert de middelmatigheid helaas hoogtij. De kwaliteitfilm mag in deze stortvloed van triviale onzin niet ten onder gaan, want anders verzinken we in een mentale leegte.Binnen deze beperking van de marktwerking moeten we daarom met hardnekkige energie het verhaal over de uitzonderlijke esthetische ervaring van een vertoning van kwaliteitfilm proberen te ontvouwen.
 
De verdediging zou een geweldige impuls kunnen krijgen door aan de hele Nederlandse bevolking de vraag te stellen welke filmvoorstellingen een bijzondere indruk op iedere persoon afzonderlijk hebben gemaakt. Welke betoveringen heeft men meegemaakt in de filmzaal? Het zou mooi zijn als we dan miljoenen zeer verschillende en gedetailleerde lange verhalen zouden krijgen over beweegredenen en bijzondere kijkervaringen. Het is mijn stellige overtuiging dat we dan wel moeten kunnen beschikken over een voldoende hoeveelheid kwaliteitfilms in de filmzaal, zodat ieder daarin zijn of haar persoonlijke keuzes kan maken en vervolgens een eigen oordeelvermogen kan ontwikkelen.
 
Daarom: aan de slag! Organiseer zoveel mogelijk vertoningen van kwaliteitfilms en schrijf uitbundig en uitvoerig hierover!
 
Peter Bosma